Scroll to top
INTERVIEW MET MARIANNE SPLINT

Verbinding en verbeelding

INTERVIEW MET MARIANNE SPLINT

Verbinding en verbeelding

In een prachtige omgeving doemt het kasteel van Helmond op. Een doordeweekse winterse dag met laaghangende mist zorgt voor een bijna mystieke ervaring. Midden in de oude industriestad hult deze grootste waterburcht van Nederland, omgeven door een prachtig plein, zich in nevelen. In dit voormalige raadhuis van Helmond resideert nu de organisatie van Museum Helmond. Museumdirecteur Marianne Splint leidt ons naar haar werkkamer met prachtig uitzicht. “Een museum moet gezien worden. PR en marketing zijn dan van levensbelang – de mensen kunnen nu eenmaal uit zoveel kiezen vandaag de dag. Een belangrijk wapen in de strijd zijn slimme lijntjes, in de culturele sector maar ook daarbuiten. Daar maken we volop werk van!”

In 2012 trad ze aan als directeur van het museum. ‘Marianne Splint brengt rust bij Museum Helmond’ kopte het Eindhovens Dagblad vorig jaar. Maar ze brengt meer dan rust alleen. Het aantal bezoekers groeit, er zijn grote exposities met (inter)nationale aantrekkingskracht en het museum heeft een duidelijk profiel gekregen. “We zijn een museum op de trap,” zegt Marianne, “stapsgewijs brengen we het museum naar een hoger niveau.” Veel middelgrote musea in Nederland worstelen met hun (financiële) positie, maar Helmond lijkt de uitzondering op de regel. Met nieuw zelfvertrouwen wordt gewerkt aan een eigentijds stadsmuseum, waar bezoekers van allerlei leeftijden, achtergronden en opleidingsniveaus elkaar ontmoeten.


‘WE ZIJN EEN MUSEUM OP DE TRAP’

Ze vertrekt hierbij vanuit wat er is: de drie bijzondere collecties die het museum beheert binnen de thema’s Stadshistorie, Mens en Werk en Moderne en Hedendaagse Kunst. Op die manier is kasteel Helmond nu vooral een kasteel met de daarbij behorende historische verhalen over kasteel en stad. “Dat is toch wat mensen willen weten als ze hier over de toegangsbrug binnenkomen”, zegt Marianne. “Ik vind het belangrijk om een duidelijk profiel te kiezen. Dat bindt bezoekers aan je museum. We zien dat terug in de vele mensen die terugkomen.” Ze vertelt dat ze daarnaast ondernemender is geworden: van het verhuren van ruimtes tot een betere fondsenwerving. De financieel-economische crisis van 2008 versnelde dat proces nog eens. Gemeentelijke bezuinigingen op de culturele infrastructuur maakten dat een andere aanpak nodig was. Met een kleine, vaste kern en een flexibele schil van medewerkers speelt het museum nu sneller in op kansen die voorbijkomen.

“Je moet als museum niet kiezen voor een bepaald publiek, of dat nu internationaal, nationaal of regionaal of zelfs lokaal is”, vindt Marianne. “Het is niet of-of, maar én-én.” Zo komt vijftig procent van de bezoekers aan het museum bijvoorbeeld uit de directe omgeving. De andere vijftig procent komt ergens anders vandaan, waarbij de A2-as tussen Amsterdam en Eindhoven een beetje de gemene deler lijkt te zijn, want daar komen de meesten vandaan. Marianne wil vooral bruggen slaan, bijvoorbeeld tussen de collectie en de stad. “Ik ben dus ook geïnteresseerd in de strategische agenda van de stad of de Brainportregio”, zegt ze. “Ik wil die als museum graag versterken, door samen met kunstenaars voor verbeelding te zorgen. Wij kunnen een droog onderwerp als ‘slimme industriestad’ of ‘automotive’ levend maken voor het publiek. En daarmee die agenda’s vooruithelpen.”

Maar het kan ook gaan om het leggen van verbindingen tussen het lokale, nationale of zelfs het internationale. Het museum werkt bijvoorbeeld veel samen met andere musea in Nederland en zelfs daarbuiten. “Waar nodig schakelen we”, legt Marianne uit. “Rondom elke expositie ontstaan weer nieuwe allianties en lijntjes met andere domeinen. Maar dat Museum Helmond niet ergens anders had kunnen staan is en blijft ons vertrekpunt.” Daarom zoekt ze ook onderwerpen die aansluiten bij de stad en het Helmonds karakter. Om ze daarna te verbinden aan anderen en nieuwe vormen van verbeelding. Zo was er in 2016 de tentoonstelling over Vlisco, ook omdat het bedrijf dat jaar maar liefst 170 jaar gevestigd was in Helmond. Die tentoonstelling trok (inter-)nationaal de aandacht. Het museum werkte samen met de beroemde Brits- Nigeriaanse kunstenaar Yinka Shonibare: hij zorgde ervoor dat de kleurrijke sto en van Vlisco voor de West-Afrikaanse markt, waar hij al vanaf het prille begin van zijn carrière mee werkt, ook in de rest van de wereld een begrip werden.

In een prachtige omgeving doemt het kasteel van Helmond op. Een doordeweekse winterse dag met laaghangende mist zorgt voor een bijna mystieke ervaring. Midden in de oude industriestad hult deze grootste waterburcht van Nederland, omgeven door een prachtig plein, zich in nevelen. In dit voormalige raadhuis van Helmond resideert nu de organisatie van Museum Helmond. Museumdirecteur Marianne Splint leidt ons naar haar werkkamer met prachtig uitzicht. “Een museum moet gezien worden. PR en marketing zijn dan van levensbelang – de mensen kunnen nu eenmaal uit zoveel kiezen vandaag de dag. Een belangrijk wapen in de strijd zijn slimme lijntjes, in de culturele sector maar ook daarbuiten. Daar maken we volop werk van!”

In 2012 trad ze aan als directeur van het museum. ‘Marianne Splint brengt rust bij Museum Helmond’ kopte het Eindhovens Dagblad vorig jaar. Maar ze brengt meer dan rust alleen. Het aantal bezoekers groeit, er zijn grote exposities met (inter)nationale aantrekkingskracht en het museum heeft een duidelijk profiel gekregen. “We zijn een museum op de trap,” zegt Marianne, “stapsgewijs brengen we het museum naar een hoger niveau.” Veel middelgrote musea in Nederland worstelen met hun (financiële) positie, maar Helmond lijkt de uitzondering op de regel. Met nieuw zelfvertrouwen wordt gewerkt aan een eigentijds stadsmuseum, waar bezoekers van allerlei leeftijden, achtergronden en opleidingsniveaus elkaar ontmoeten.


‘WE ZIJN EEN MUSEUM OP DE TRAP’

Ze vertrekt hierbij vanuit wat er is: de drie bijzondere collecties die het museum beheert binnen de thema’s Stadshistorie, Mens en Werk en Moderne en Hedendaagse Kunst. Op die manier is kasteel Helmond nu vooral een kasteel met de daarbij behorende historische verhalen over kasteel en stad. “Dat is toch wat mensen willen weten als ze hier over de toegangsbrug binnenkomen”, zegt Marianne. “Ik vind het belangrijk om een duidelijk profiel te kiezen. Dat bindt bezoekers aan je museum. We zien dat terug in de vele mensen die terugkomen.” Ze vertelt dat ze daarnaast ondernemender is geworden: van het verhuren van ruimtes tot een betere fondsenwerving. De financieel-economische crisis van 2008 versnelde dat proces nog eens. Gemeentelijke bezuinigingen op de culturele infrastructuur maakten dat een andere aanpak nodig was. Met een kleine, vaste kern en een flexibele schil van medewerkers speelt het museum nu sneller in op kansen die voorbijkomen.

“Je moet als museum niet kiezen voor een bepaald publiek, of dat nu internationaal, nationaal of regionaal of zelfs lokaal is”, vindt Marianne. “Het is niet of-of, maar én-én.” Zo komt vijftig procent van de bezoekers aan het museum bijvoorbeeld uit de directe omgeving. De andere vijftig procent komt ergens anders vandaan, waarbij de A2-as tussen Amsterdam en Eindhoven een beetje de gemene deler lijkt te zijn, want daar komen de meesten vandaan. Marianne wil vooral bruggen slaan, bijvoorbeeld tussen de collectie en de stad. “Ik ben dus ook geïnteresseerd in de strategische agenda van de stad of de Brainportregio”, zegt ze. “Ik wil die als museum graag versterken, door samen met kunstenaars voor verbeelding te zorgen. Wij kunnen een droog onderwerp als ‘slimme industriestad’ of ‘automotive’ levend maken voor het publiek. En daarmee die agenda’s vooruithelpen.”

Maar het kan ook gaan om het leggen van verbindingen tussen het lokale, nationale of zelfs het internationale. Het museum werkt bijvoorbeeld veel samen met andere musea in Nederland en zelfs daarbuiten. “Waar nodig schakelen we”, legt Marianne uit. “Rondom elke expositie ontstaan weer nieuwe allianties en lijntjes met andere domeinen. Maar dat Museum Helmond niet ergens anders had kunnen staan is en blijft ons vertrekpunt.” Daarom zoekt ze ook onderwerpen die aansluiten bij de stad en het Helmonds karakter. Om ze daarna te verbinden aan anderen en nieuwe vormen van verbeelding. Zo was er in 2016 de tentoonstelling over Vlisco, ook omdat het bedrijf dat jaar maar liefst 170 jaar gevestigd was in Helmond. Die tentoonstelling trok (inter-)nationaal de aandacht. Het museum werkte samen met de beroemde Brits- Nigeriaanse kunstenaar Yinka Shonibare: hij zorgde ervoor dat de kleurrijke sto en van Vlisco voor de West-Afrikaanse markt, waar hij al vanaf het prille begin van zijn carrière mee werkt, ook in de rest van de wereld een begrip werden.

‘Al doende leert men’ gaat ook op voor het directeurschap van Marianne. “Het maken van een mooie tentoonstelling is één ding”, vertelt ze, “maar dat wil nog niet zeggen dat er ook veel publiek op af komt.” Om dat voor elkaar te krijgen zijn PR en marketing van onschatbare waarde. “Want je kunt nog zo’n mooie tentoonstelling hebben, nog zo goed aansluiten bij de stad en haar bewoners, mensen hebben tegenwoordig de keuze uit duizend-en-een dingen die ze in hun vrije tijd kunnen doen. En daar moet jij uit springen. Het draait allemaal om zichtbaar zijn. Oplichten.” En ze is nog lang niet uitgeleerd. Ze kijkt met een flinke dosis belangstelling hoe grote tijdelijke tentoonstellingen aangepakt worden, zoals Robot Love in Eindhoven. Ook kijkt ze graag over de grens naar de manier van werken van onze zuiderburen, zoals in het MAS in Antwerpen.

Het valt niet mee om met een kleine organisatie alle ballen in de lucht te houden. Ook cultureel ondernemerschap kent zijn grenzen. “Het museum is ook kwetsbaar”, zegt Marianne, “zeker nu we dertig procent moeten bezuinigen op ons vrij besteedbare budget. Ondernemerschap opent nieuwe deuren, maar je betaalt altijd ergens een prijs.” Naast de (werk)druk op het team bedoelt Marianne ook dat cultureel ondernemerschap een groter accent legt op de economische waarde van musea. Dat zorgt ervoor dat andere taken ondergesneeuwd dreigen te raken. “Kleine en middelgrote musea zijn er voor het behouden en beheren van ons gezamenlijk erfgoed voor de generaties na ons. Dat komt minder sexy over, maar het is minstens zo belangrijk!” benadrukt Marianne.


‘KLEINE EN MIDDELGROTE MUSEA ZIJN ER VOOR HET BEHOUDEN EN BEHEREN VAN ONS GEZAMENLIJK ERFGOED VOOR DE GENERATIES NA ONS.’

“We werken en kijken ver vooruit”, zegt Marianne. “We zijn bijvoorbeeld nu al bezig met een grote expositie op het snijvlak van de autoindustrie en de kunst voor 2022. En zelfs 2024 staat al in potlood op de kaart. Om een nog sterkere verbinding tussen ons museum en de regio en Brabant te kunnen leggen, zou een bestuurlijke langetermijnbeleidsagenda goed voor ons zijn. Daar kunnen we dan als museum op inspelen. Want de weg naar de nationale subsidieverstrekkers is makkelijk te vinden, terwijl het naar die van de provinciale fondsen lastiger zoeken is.”

De provincie is inmiddels wel aangehaakt bij een grote expositie die het museum in 2020 wil organiseren over het leven en werk van de Helmondse landschapsschilder Lucas Gassel. “Lucas Gassel is achteraf gezien eigenlijk een van de grondleggers van het moderne landschapsschilderen geweest”, vertelt Marianne. “Daarover kun je een prachtig verhaal vertellen. De aandacht van het publiek gaat vaak naar de zeventiende-eeuwse Republiek, met landschapsschilders als Van Goyen en Ruysdael. Om de geboorte van dat genre te begrijpen, hebben we de Zuid-Nederlandse schilderkunst uit de zestiende eeuw nodig. Gassel past in die, minder bekende, traditie van de zuidelijke Nederlanden. Het doel is om voor de allereerste keer zo veel mogelijk van zijn oeuvre samen te brengen via nationale en internationale bruiklenen.” Marianne benadrukt het nog een laatste keer: “Het gaat altijd om het zoeken naar verbinding en verbeelding. Zodat iedereen de weg naar het museum weet te vinden.”

‘Al doende leert men’ gaat ook op voor het directeurschap van Marianne. “Het maken van een mooie tentoonstelling is één ding”, vertelt ze, “maar dat wil nog niet zeggen dat er ook veel publiek op af komt.” Om dat voor elkaar te krijgen zijn PR en marketing van onschatbare waarde. “Want je kunt nog zo’n mooie tentoonstelling hebben, nog zo goed aansluiten bij de stad en haar bewoners, mensen hebben tegenwoordig de keuze uit duizend-en-een dingen die ze in hun vrije tijd kunnen doen. En daar moet jij uit springen. Het draait allemaal om zichtbaar zijn. Oplichten.” En ze is nog lang niet uitgeleerd. Ze kijkt met een flinke dosis belangstelling hoe grote tijdelijke tentoonstellingen aangepakt worden, zoals Robot Love in Eindhoven. Ook kijkt ze graag over de grens naar de manier van werken van onze zuiderburen, zoals in het MAS in Antwerpen.

Het valt niet mee om met een kleine organisatie alle ballen in de lucht te houden. Ook cultureel ondernemerschap kent zijn grenzen. “Het museum is ook kwetsbaar”, zegt Marianne, “zeker nu we dertig procent moeten bezuinigen op ons vrij besteedbare budget. Ondernemerschap opent nieuwe deuren, maar je betaalt altijd ergens een prijs.” Naast de (werk)druk op het team bedoelt Marianne ook dat cultureel ondernemerschap een groter accent legt op de economische waarde van musea. Dat zorgt ervoor dat andere taken ondergesneeuwd dreigen te raken. “Kleine en middelgrote musea zijn er voor het behouden en beheren van ons gezamenlijk erfgoed voor de generaties na ons. Dat komt minder sexy over, maar het is minstens zo belangrijk!” benadrukt Marianne.


‘KLEINE EN MIDDELGROTE MUSEA ZIJN ER VOOR HET BEHOUDEN EN BEHEREN VAN ONS GEZAMENLIJK ERFGOED VOOR DE GENERATIES NA ONS.’

“We werken en kijken ver vooruit”, zegt Marianne. “We zijn bijvoorbeeld nu al bezig met een grote expositie op het snijvlak van de autoindustrie en de kunst voor 2022. En zelfs 2024 staat al in potlood op de kaart. Om een nog sterkere verbinding tussen ons museum en de regio en Brabant te kunnen leggen, zou een bestuurlijke langetermijnbeleidsagenda goed voor ons zijn. Daar kunnen we dan als museum op inspelen. Want de weg naar de nationale subsidieverstrekkers is makkelijk te vinden, terwijl het naar die van de provinciale fondsen lastiger zoeken is.”

De provincie is inmiddels wel aangehaakt bij een grote expositie die het museum in 2020 wil organiseren over het leven en werk van de Helmondse landschapsschilder Lucas Gassel. “Lucas Gassel is achteraf gezien eigenlijk een van de grondleggers van het moderne landschapsschilderen geweest”, vertelt Marianne. “Daarover kun je een prachtig verhaal vertellen. De aandacht van het publiek gaat vaak naar de zeventiende-eeuwse Republiek, met landschapsschilders als Van Goyen en Ruysdael. Om de geboorte van dat genre te begrijpen, hebben we de Zuid-Nederlandse schilderkunst uit de zestiende eeuw nodig. Gassel past in die, minder bekende, traditie van de zuidelijke Nederlanden. Het doel is om voor de allereerste keer zo veel mogelijk van zijn oeuvre samen te brengen via nationale en internationale bruiklenen.” Marianne benadrukt het nog een laatste keer: “Het gaat altijd om het zoeken naar verbinding en verbeelding. Zodat iedereen de weg naar het museum weet te vinden.”

Top