Scroll to top
EEN ESSAY VAN NIENKE VAN BOOM

Verbinding en Verbeelding: een zoektocht naar de sociale betekenis van cultuur

‘There is nothing worse than a sharp image of a fuzzy concept’ – Ansel Adams, photographer

Nienke van Boom gaat in haar essay dieper in op de sociale betekenis van cultuur. Ze gaat op zoek naar de betekeniswaarde van cultuur door te kijken wat cultuur is en wat cultuur doet.

Hoe we naar cultuur kijken is een weergave van ons cultuurbeleid. En daar zien we dat cultuur steeds vaker gezien wordt als een instrument. Of dat verwezen wordt naar de artistiek-expressieve waarde of intrinsieke waarde van cultuur. Beide zienswijzen gaan voorbij aan het feit dat cultuur voor heel veel mensen om heel andere redenen betekenisvol is.

Nienke van Boom gaat in haar essay dieper in op de sociale betekenis van cultuur. Ze gaat op zoek naar de betekeniswaarde van cultuur door te kijken wat  wat cultuur is en wat cultuur doet. En dus hoe cultuur werkt. En ziet dat we de culturele eigen/wijs/heid van Brabant niet kunnen begrijpen zonder te kijken naar de sociale waarde die ons verbindt. We hebben  een nieuw cultuurbegrip nodig waar ruimte is voor de waarde van verbinding en verbeelding!

Over de auteur

Nienke van Boom (1983) heeft een achtergrond in Vrijetijdwetenschappen en European Urban Cultures. Als freelance adviseur en onderzoeker houdt zij zich bezig met projecten op het gebied van cultuur, creativiteit en ruimtelijke ontwikkeling. Zij publiceerde eerder Comeback Cities: Vernieuwingsstrategieën voor de industriestad (2009), De stad als ontmoetingsruimte (2016) en Creatieve steden (2017). Daarnaast bouwt ze als medeoprichter van Studio Nova aan een sterk makersklimaat voor film in Brabant.

EEN ESSAY VAN NIENKE VAN BOOM

Verbinding en Verbeelding: een zoektocht naar de sociale betekenis van cultuur

‘There is nothing worse than a sharp image of a fuzzy concept’ – Ansel Adams, photographer

Nienke van Boom gaat in haar essay dieper in op de sociale betekenis van cultuur. Ze gaat op zoek naar de betekeniswaarde van cultuur door te kijken wat cultuur is en wat cultuur doet.

Hoe we naar cultuur kijken is een weergave van ons cultuurbeleid. En daar zien we dat cultuur steeds vaker gezien wordt als een instrument. Of dat verwezen wordt naar de artistiek-expressieve waarde of intrinsieke waarde van cultuur. Beide zienswijzen gaan voorbij aan het feit dat cultuur voor heel veel mensen om heel andere redenen betekenisvol is.

Nienke van Boom gaat in haar essay dieper in op de sociale betekenis van cultuur. Ze gaat op zoek naar de betekeniswaarde van cultuur door te kijken wat  wat cultuur is en wat cultuur doet. En dus hoe cultuur werkt. En ziet dat we de culturele eigen/wijs/heid van Brabant niet kunnen begrijpen zonder te kijken naar de sociale waarde die ons verbindt. We hebben  een nieuw cultuurbegrip nodig waar ruimte is voor de waarde van verbinding en verbeelding!

Over de auteur

Nienke van Boom (1983) heeft een achtergrond in Vrijetijdwetenschappen en European Urban Cultures. Als freelance adviseur en onderzoeker houdt zij zich bezig met projecten op het gebied van cultuur, creativiteit en ruimtelijke ontwikkeling. Zij publiceerde eerder Comeback Cities: Vernieuwingsstrategieën voor de industriestad (2009), De stad als ontmoetingsruimte (2016) en Creatieve steden (2017). Daarnaast bouwt ze als medeoprichter van Studio Nova aan een sterk makersklimaat voor film in Brabant.

Een verkenning van het cultuurbegrip

‘Corso is emotie’. Zo heeft Frank Maas het boek getiteld dat hij maakte over de meer dan honderd wagens die hij voor het bloemencorso in Valkenswaard heeft ontworpen. Zijn verbeelding is de basis van vele bouwwerken met talloze dahlia’s en steeds ingewikkeldere constructies. Samen met duizend vrijwilligers zorgt Frank dat tienduizenden bezoekers de jaarlijkse parade kunnen aanschouwen. “Brabanders houden ervan de weg op te gaan. […] Wij willen iets moois laten zien en het liefste doen we dat samen”. Dat is wat het corso typisch Brabantse cultuur maakt volgens Frank.

Deze verkenning van BrabantKennis naar de eigen(wijs)heid van het Brabantse culturele leven is met open blik gestart. Niet met een klassieke afbakening wat wel en niet tot cultuur behoort, maar met een inclusieve benadering. Met aandacht voor kunst, ontwerp en erfgoed; voor traditioneel en modern; voor makers, beoefenaars, liefhebbers en ondersteuners. Een benadering waarin ruimte is voor Vincent Van Gogh en Jeroen Bosch; voor philharmonie zuidnederland en fanfare de Volharding; voor de Brabantsedag en Museum De Pont; voor de Koe van Esbeek en voor carnaval; voor Festival Circolo en Fanfari Bombari; voor ‘het tuinpad van mijn vader’ en het Draaiende Huis van Körmeling, voor de Dutch Design Week, Best Kept Secret en het Festival van het Levenslied; voor de schoonheid van vissenkieuwen onder een stolp, de creatieve industrie op Strijp-S en het samen prikken van dahlia’s op de corso-wagens. Stuk voor stuk onderdeel van het culturele leven in Brabant. Maar wat is het cement waardoor we dit allemaal ‘cultuur’ noemen? Hoe vangen we die eigenheid en veelzijdigheid van het Brabantse culturele leven in een regioprofiel?

Cultuur is fuzzy

‘Fuzzy concepts’ is een term van de Amerikaanse stadseconoom Ann Markusen. Ze bedoelt daarmee vaag of mistig taalgebruik in de wereld van beleid, bestuur en wetenschap. In tegenstelling tot wat je verwacht, is fuzziness soms onvermijdelijk en zelfs nuttig. Door een begrip niet meteen vast te zetten in een definitie ontstaat er ruimte: om te spelen met meerdere betekenissen en onderliggende spanningen. En om de complexiteit te begrijpen. Een open definitie kan discussies openbreken. De keerzijde: het kan de aandacht afleiden van politiek gevoelige of niet goed onderbouwde veronderstellingen. Je loopt dan het gevaar dat iedereen opnieuw opgesloten raakt in zijn eigen gelijk. Fuzzy concepten kunnen dus heel nuttig zijn maar: handle with care.

Cultuur kun je zien als een fuzzy concept. Het heeft volop betekenissen, afhankelijk van publiek, maker en agenda. Cultuur heeft een eigen denkkader: iedere bewering kan tegelijkertijd waar en onwaar zijn. Het is goed om ‘cultuur’ als etiket van dichterbij te bekijken, zodat we een helder beeld krijgen van waaruit we starten.

De meest open definitie komt uit de antropologische hoek. ‘Cultuur’ is alles wat geen natuur is, ofwel alles wat door de mens is ‘gecultiveerd’. Cultuursocioloog Raymond Williams borduurt daarop verder. Hij benoemt ‘cultuur’ als “the signifying system through which […] a social order is communicated, reproduced, experienced and explored” (1982, p. 13). Cultuur zegt volgens hem alles over hoe wij onze samenleving hebben ingericht: het laat ons ontdekken, ervaren, delen en bevestigen wat we goed of slecht, mooi of lelijk, en belangrijk of banaal vinden. Cultuurmakers (re)produceren daarom sociale betekenis. Het zegt dus niet alleen iets over wat cultuur wel of niet is, maar ook wat cultuur doet.

Maar in de wereld van beleid zien we vooral een andere afbakening van het cultuurbegrip: cultuur als domein- of sectoraanduiding. Dat geeft overzicht van wat erbinnen en erbuiten valt. Zoals hoogleraar Evert Bisschop Boele beschrijft gaat het hier over “de C uit het Ministerie van O, C & W; de C van de Cultuurbijlage van de krant, de C die ten grondslag ligt aan het bestaan van de Culturele Raad Haren uit mijn dorp” (2017, p. 8). Beeldende kunst valt binnen het domein van deze C, het verkleden tijdens carnaval (ook een creatieve activiteit met verbeeldende waarde) valt er meestal buiten. De domeinaanduiding gaat over de wereld van het theater, literatuur, beeldende kunst, musea en poppodia. En soms wordt die aangevuld met erfgoed, architectuur, ontwerp en media. Zo wordt het bredere, fuzzy cultuurbegrip teruggebracht tot meer pragmatisch, meetbaar en dus werkbaar.


‘CULTUUR’ IS ALLES WAT GEEN NATUUR IS, OFWEL ALLES WAT DOOR DE MENS IS ‘GECULTIVEERD’

Jammer genoeg zijn die duidelijk afgebakende indelingen niet altijd houdbaar. We leven namelijk in een snel veranderende netwerksamenleving: politieke, economische, technologische en sociaal-culturele processen transformeren het culturele landschap enorm. De scheidslijnen tussen verschillende typen media, tussen zender en ontvanger en tussen offline en online zijn veranderd. Het Sociaal Cultureel Planbureau is kortgeleden met een verkenning gekomen naar een nieuwe ordening in het cultuurbegrip. Het is de aanzet voor een nieuwe monitoring van het cultuurbeleid: gestructureerd maar meer inclusief kijken wat er aan data beschikbaar is om het culturele leven in kaart te brengen. Als we dat doen, dan zien we ineens dat we een collectieve blinde vlek hebben voor het niet-geïnstitutionaliseerde, het informele, het private, het digitale en het immateriële. Met de Monitor Waarde van Cultuur hebben verschillende Brabantse organisaties3 een vergelijkbare verkenning uitgevoerd. En ook daaruit komt dat cross-overs, het niet-geïnstitutionaliseerde en niet-gesubsidieerde deel van het culturele leven onderbelicht blijven. Zowel het SCP als de Waarde van Cultuur laten zien dat we vooral weten wat we meten.

Die worsteling laat duidelijk zien dat een ‘economische’ benadering te beperkt is, maar dat een te open ‘antropologische’ benadering te weinig handvatten geeft voor beleidsvorming en -evaluatie. Een verkenning van de culturele eigen(wijs)heid van Brabant moet ergens tussen die twee uitersten gebeuren: voorbij een sectorafbakening, maar zonder te vervallen in de wirwar van ‘het alledaagse leven’. Een balans dus tussen té abstract en té concreet.

Een verkenning van het cultuurbegrip

‘Corso is emotie’. Zo heeft Frank Maas het boek getiteld dat hij maakte over de meer dan honderd wagens die hij voor het bloemencorso in Valkenswaard heeft ontworpen. Zijn verbeelding is de basis van vele bouwwerken met talloze dahlia’s en steeds ingewikkeldere constructies. Samen met duizend vrijwilligers zorgt Frank dat tienduizenden bezoekers de jaarlijkse parade kunnen aanschouwen. “Brabanders houden ervan de weg op te gaan. […] Wij willen iets moois laten zien en het liefste doen we dat samen”. Dat is wat het corso typisch Brabantse cultuur maakt volgens Frank.

Deze verkenning van BrabantKennis naar de eigen(wijs)heid van het Brabantse culturele leven is met open blik gestart. Niet met een klassieke afbakening wat wel en niet tot cultuur behoort, maar met een inclusieve benadering. Met aandacht voor kunst, ontwerp en erfgoed; voor traditioneel en modern; voor makers, beoefenaars, liefhebbers en ondersteuners. Een benadering waarin ruimte is voor Vincent Van Gogh en Jeroen Bosch; voor philharmonie zuidnederland en fanfare de Volharding; voor de Brabantsedag en Museum De Pont; voor de Koe van Esbeek en voor carnaval; voor Festival Circolo en Fanfari Bombari; voor ‘het tuinpad van mijn vader’ en het Draaiende Huis van Körmeling, voor de Dutch Design Week, Best Kept Secret en het Festival van het Levenslied; voor de schoonheid van vissenkieuwen onder een stolp, de creatieve industrie op Strijp-S en het samen prikken van dahlia’s op de corso-wagens. Stuk voor stuk onderdeel van het culturele leven in Brabant. Maar wat is het cement waardoor we dit allemaal ‘cultuur’ noemen? Hoe vangen we die eigenheid en veelzijdigheid van het Brabantse culturele leven in een regioprofiel?

Cultuur is fuzzy

‘Fuzzy concepts’ is een term van de Amerikaanse stadseconoom Ann Markusen. Ze bedoelt daarmee vaag of mistig taalgebruik in de wereld van beleid, bestuur en wetenschap. In tegenstelling tot wat je verwacht, is fuzziness soms onvermijdelijk en zelfs nuttig. Door een begrip niet meteen vast te zetten in een definitie ontstaat er ruimte: om te spelen met meerdere betekenissen en onderliggende spanningen. En om de complexiteit te begrijpen. Een open definitie kan discussies openbreken. De keerzijde: het kan de aandacht afleiden van politiek gevoelige of niet goed onderbouwde veronderstellingen. Je loopt dan het gevaar dat iedereen opnieuw opgesloten raakt in zijn eigen gelijk. Fuzzy concepten kunnen dus heel nuttig zijn maar: handle with care.

Cultuur kun je zien als een fuzzy concept. Het heeft volop betekenissen, afhankelijk van publiek, maker en agenda. Cultuur heeft een eigen denkkader: iedere bewering kan tegelijkertijd waar en onwaar zijn. Het is goed om ‘cultuur’ als etiket van dichterbij te bekijken, zodat we een helder beeld krijgen van waaruit we starten.

De meest open definitie komt uit de antropologische hoek. ‘Cultuur’ is alles wat geen natuur is, ofwel alles wat door de mens is ‘gecultiveerd’. Cultuursocioloog Raymond Williams borduurt daarop verder. Hij benoemt ‘cultuur’ als “the signifying system through which […] a social order is communicated, reproduced, experienced and explored” (1982, p. 13). Cultuur zegt volgens hem alles over hoe wij onze samenleving hebben ingericht: het laat ons ontdekken, ervaren, delen en bevestigen wat we goed of slecht, mooi of lelijk, en belangrijk of banaal vinden. Cultuurmakers (re)produceren daarom sociale betekenis. Het zegt dus niet alleen iets over wat cultuur wel of niet is, maar ook wat cultuur doet.

Maar in de wereld van beleid zien we vooral een andere afbakening van het cultuurbegrip: cultuur als domein- of sectoraanduiding. Dat geeft overzicht van wat erbinnen en erbuiten valt. Zoals hoogleraar Evert Bisschop Boele beschrijft gaat het hier over “de C uit het Ministerie van O, C & W; de C van de Cultuurbijlage van de krant, de C die ten grondslag ligt aan het bestaan van de Culturele Raad Haren uit mijn dorp” (2017, p. 8). Beeldende kunst valt binnen het domein van deze C, het verkleden tijdens carnaval (ook een creatieve activiteit met verbeeldende waarde) valt er meestal buiten. De domeinaanduiding gaat over de wereld van het theater, literatuur, beeldende kunst, musea en poppodia. En soms wordt die aangevuld met erfgoed, architectuur, ontwerp en media. Zo wordt het bredere, fuzzy cultuurbegrip teruggebracht tot meer pragmatisch, meetbaar en dus werkbaar.


‘CULTUUR’ IS ALLES WAT GEEN NATUUR IS, OFWEL ALLES WAT DOOR DE MENS IS ‘GECULTIVEERD’

Jammer genoeg zijn die duidelijk afgebakende indelingen niet altijd houdbaar. We leven namelijk in een snel veranderende netwerksamenleving: politieke, economische, technologische en sociaal-culturele processen transformeren het culturele landschap enorm. De scheidslijnen tussen verschillende typen media, tussen zender en ontvanger en tussen offline en online zijn veranderd. Het Sociaal Cultureel Planbureau is kortgeleden met een verkenning gekomen naar een nieuwe ordening in het cultuurbegrip. Het is de aanzet voor een nieuwe monitoring van het cultuurbeleid: gestructureerd maar meer inclusief kijken wat er aan data beschikbaar is om het culturele leven in kaart te brengen. Als we dat doen, dan zien we ineens dat we een collectieve blinde vlek hebben voor het niet-geïnstitutionaliseerde, het informele, het private, het digitale en het immateriële. Met de Monitor Waarde van Cultuur hebben verschillende Brabantse organisaties3 een vergelijkbare verkenning uitgevoerd. En ook daaruit komt dat cross-overs, het niet-geïnstitutionaliseerde en niet-gesubsidieerde deel van het culturele leven onderbelicht blijven. Zowel het SCP als de Waarde van Cultuur laten zien dat we vooral weten wat we meten.

Die worsteling laat duidelijk zien dat een ‘economische’ benadering te beperkt is, maar dat een te open ‘antropologische’ benadering te weinig handvatten geeft voor beleidsvorming en -evaluatie. Een verkenning van de culturele eigen(wijs)heid van Brabant moet ergens tussen die twee uitersten gebeuren: voorbij een sectorafbakening, maar zonder te vervallen in de wirwar van ‘het alledaagse leven’. Een balans dus tussen té abstract en té concreet.

Hoe cultuur werkt

Om te weten wat cultuur is, is het slimmer om te kijken wat cultuur doet. Dus hoe cultuur werkt, en waarom we die wel of niet waardevol vinden. Een mooi voorbeeld is ‘De Melkfabriek’. In het voorjaar van 2018 bouwt kunstenaar Hannes Verhoeven samen met de inwoners van Esbeek een reusachtige koe in het landschap: in zes maanden tijd en met ongeveer 13.000 houten latjes. De acht meter hoge koe doet dienst als uitkijktoren en is een landmark geworden in het Esbeekse landschap. Het kunstproject heet ‘De Melkfabriek’ en verbeeldt de mechanisering van de landbouw en hoe de koe, als ware het een fabriek, in dienst staat van de mens. Maar daarnaast verbeeldt de Koe van Esbeek ook de dragende gemeenschap die dit project samen heeft opgebouwd. In zijn essay ‘Van Onderop’ beschrijft Gerard Rooijakkers hoe de Koe een ‘totem’ wordt – een markering van eigenheid van de Esbeekse gemeenschap.

De socioloog Emile Durkheim schreef in 1912 al over hoe door het samen met aandacht uitvoeren van bepaalde rituelen een collectieve ervaring ontstaat. Die ervaring zorgt voor een gevoel van solidariteit binnen de gemeenschap. En de rituele handelingen zelf, de plek en de gebruikte objecten krijgen een symbolische waarde. Ze worden onderdeel van het collectieve geheugen en vertegenwoordigen de gemeenschap. Dat gemeenschapsgevoel is volgens Durkheim dan ook een van de belangrijkste functies van religie.

Zulke processen zien we ook terug in niet-religieuze handelingen. Denk aan alledaagse interacties, roken, seks, voetbal, carnaval, de afscheidsdienst van André Hazes of de roodharigendag in Breda4. We hebben het dan over ritualisering: “het procesmatige karakter waarmee bepaalde handelingen (of voorwerpen, personen en momenten) een bijzondere waarde of betekenis krijgen” (Bell, in Stengs 2018, p. 7). Ritualisering is dus een cultureel proces: het verwerven van een centrale plek in het sociale leven. Een bijna sacrale status zelfs, althans voor degenen die erbij betrokken zijn. Val je buiten de gemeenschap, door eigen keuze of door buitensluiting, dan geldt die betekenis niet voor jou. Carnaval is heilig, voor de liefhebber althans.


RITUALISERING IS EEN CULTUREEL PROCES

Hans Mommaas heeft het In zijn essay Waarde van Cultuur over cultuur als “het bredere domein van beelden, vormen (fysiek en ‘performatief’), geluiden en teksten die primair worden voortgebracht en beoordeeld omwille van hun symbolische of vormgevende betekenis” (2012, p. 9). Culturele vormen dus waarin betekenis ontstaat of wordt ervaren. Die betekenis kan van alles zijn: van bewondering, verwarring of afkeer, tot het vragen stellen bij de staat van de wereld of het kantelen van een denkbeeld. Maar de betekenis kan ‘m ook zitten in vermaak, plezier, ontspanning, sfeer en gezelligheid. Voor veel mensen is cultuur maken of cultuur bezoeken iets sociaals: samen zingen in een koor, met vrienden naar een festival of met het gezin gaan kijken naar de parade van de Brabantsedag. Ook bij De Koe van Esbeek, bloemencorso’s en carnavalsoptochten zien we het sociale karakter van cultuur. De betekenis ontstaat in de ervaring van het samen bouwen en bekijken. Het verschil tussen maker en publiek vervaagt: het publiek maakt zijn eigen beleving. Maar ook een individuele beleving is een sociaal proces. Hoe we cultuur beleven, is het resultaat van eerdere ervaringen die zijn opgeslagen in ons individuele en collectieve geheugen. Jouw beleving kan heel anders zijn dan die van mij. Maar of dat nu is in de beslotenheid van een atelier of koptelefoon, of met anderen in een theaterzaal of club, ook je eigen beleving van cultuur is het gevolg van sociale productie.

Zo kunnen we ook beter begrijpen hoe sommige praktijken en objecten ‘erfgoed’ worden en andere niet, volgens hoogleraar Irene Stengs. Dat komt doordat we aan sommige zaken een culturele betekenis geven en een gemeenschap het als waardevol benoemt. Dat is ook een politiek proces. Met het benoemen van bepaalde rituelen of objecten tot erfgoed en andere niet, worden machtsverhoudingen bekrachtigd. Zoals Stengs opmerkt: “Veelal ervaren als in wezen onveranderlijke vormen van cultuur die sinds een vaak ver verleden van generatie op generatie worden overgedragen, vormen rituelen de basis van veel hedendaagse culturele identiteitsvorming, en, in het verlengde daarvan, culturele-identiteitspolitieke kwesties” (2018, p. 8).

Cultuur en erfgoed zijn bouwstenen van onze identiteit. “Erfgoed wás onze identiteit, cultuur ís onze identiteit, en kunst verkent wat onze identiteit kan wórden”. Ze geven houvast in een snel veranderende wereld waar klasse, religie, zuil of nationaliteit steeds minder vanzelfsprekend worden. Zeker in Brabant, waar het katholieke geloof in rap tempo lijkt te verdwijnen, blijken katholieke rituelen, verhalen en beelden verankerd in ons collectieve geheugen. De kroeg heeft misschien wel de plaats ingenomen van de kerk, en het leven wordt nog steeds in de ontmoeting met zielsverwanten beleefd. Zo’n collectieve ervaring is diepgeworteld en we kunnen de culturele eigen(wijs)heid van Brabant daarom niet begrijpen zonder te kijken naar die sociale waarde die ons verbindt.

CULTUUR EN ERFGOED GEVEN HOUVAST IN EEN SNEL VERANDERENDE WERELD WAAR KLASSE, RELIGIE, ZUIL OF NATIONALITEIT STEEDS MINDER VANZELFSPREKEND WORDEN

Zo krijgen we grip op de betekeniswaarde van cultuur, op wat kunst, ontwerp en erfgoed met elkaar verbindt. Alles draait om de interactie tussen werk, individu, en maatschappij. Daarin construeren, cultiveren (!), circuleren en reproduceren we met elkaar betekenis. De Melkfabriek in Esbeek heeft dat allemaal in zich. Het laat ons filosoferen over de agrarische traditie in het landschap, het mobiliseert een dragende gemeenschap die samen van de Koe een totem maakt, en het geeft ons stof tot nadenken over de toekomst van de relatie tussen mens en dier. Daarnaast laat de Koe nog een ander effect zien: hoe cultuur schakelt met andere werelden. Zo profiteert de toeristische sector in Esbeek van de extra zichtbaarheid en belevingswaarde voor de wandelroute die bezoekers van en naar de Koe leidt. En zo komen we dan bij het tweede perspectief op hoe cultuur werkt: het ‘meekoppelende’ belang.

Meekoppelend belang

Sinds de jaren 80 van de vorige eeuw kijken we kritischer naar overheidsingrijpen en heeft het New Public Management zijn intrede gedaan in de beleidswereld. De investering van publieke middelen wordt gemonitord en moet bewijzen dat het efficiënt en effectief is. Ook cultuurbeleidsdoelstellingen worden gekoppeld aan andere beleidsterreinen om meerwaarde te krijgen. Cultuur is bijvoorbeeld van waarde als het economische of sociale voordelen oplevert. Zo vinden we het belangrijk dat er culturele activiteiten in een stad zijn voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor hoogopgeleide arbeidskrachten, als ‘trekker’ in een toeristische industrie of als motor voor innovatie. Ook zoeken we de waarde van cultuur in de bijdrage aan ontmoeting tussen mensen, aan het saamhorigheidsgevoel van een buurt en aan actieve en betrokken burgers. De laatste jaren wordt cultuur zelfs steeds minder gezien als zelfstandige sector, maar meer als factor in sociale en economische ontwikkelingen6. Daarin ziet de overheid een wettelijke verantwoordelijkheid om te zorgen voor een culturele en creatieve sector die goed functioneert. Sterker nog, in 2013 stelt het ministerie zelfs: “het bestaansrecht van kunstenaars en culturele instellingen ligt niet zozeer in de sector zelf maar in de verbinding met de samenleving”.

We weten al hoe waarde ontstaat, en hoe die kan worden overgebracht op de gemeenschap (trots, welzijn of sociale verbondenheid), object (totem, symbool of kunstwerk) of locatie (kerk, erfgoedcomplex, creatieve hotspot). Al in de jaren 40 van de vorige eeuw zagen de cultuurfilosofen van de Frankfurter Schule hoe cultuur steeds meer aan economie verknoopt raakte, en na de jaren 80 lijkt dat alleen maar meer te worden. Aan de ene kant zien we een ontculturalisering of ontheiliging van het culturele domein. De drijfveren daarachter zijn kunststromingen als dadaïsme, De Stijl en popart die het alledaagse tot kunst verheffen, maar ook de democratisering en emancipatie van subculturen die de culturele canon en traditionele smaakautoriteiten niet langer zonder meer accepteren. Aan de andere kant zien we juist een verculturalisering van de samenleving, waarin esthetiek, beleving en creativiteit steeds belangrijker worden. Denk bijvoorbeeld aan de nadruk op vormgeving van alledaagse producten, maar ook aan themawoonwijken, cultuurtoerisme en creatieve clusters. Sterker nog, zelfs ons lichaam wordt steeds meer gekoesterd alsof het een kunstwerk is: our body is our canvas. Het moet gestyled, getatoeëerd en gefotografeerd worden om onze identiteit vorm te geven en te presenteren. Deze twee op het oog paradoxale bewegingen laten zien hoe het domein van kunst, cultuur en erfgoed steeds vaker wordt verknoopt aan andere domeinen om andere waarden te bereiken.

Naast een betekeniswaarde heeft cultuur dus ook een instrumentele waarde. Maar er zit een fundamentele spanning tussen die twee waardes. De manier waarop we met die spanning omgaan, zien we terug in hoe wij beleid voor cultuur vormgeven. Als we dat vanuit de geschiedenis bekijken, kunnen we begrijpen hoe ons cultuurbegrip telkens verandert.

Hoe cultuur werkt

Om te weten wat cultuur is, is het slimmer om te kijken wat cultuur doet. Dus hoe cultuur werkt, en waarom we die wel of niet waardevol vinden. Een mooi voorbeeld is ‘De Melkfabriek’. In het voorjaar van 2018 bouwt kunstenaar Hannes Verhoeven samen met de inwoners van Esbeek een reusachtige koe in het landschap: in zes maanden tijd en met ongeveer 13.000 houten latjes. De acht meter hoge koe doet dienst als uitkijktoren en is een landmark geworden in het Esbeekse landschap. Het kunstproject heet ‘De Melkfabriek’ en verbeeldt de mechanisering van de landbouw en hoe de koe, als ware het een fabriek, in dienst staat van de mens. Maar daarnaast verbeeldt de Koe van Esbeek ook de dragende gemeenschap die dit project samen heeft opgebouwd. In zijn essay ‘Van Onderop’ beschrijft Gerard Rooijakkers hoe de Koe een ‘totem’ wordt – een markering van eigenheid van de Esbeekse gemeenschap.

De socioloog Emile Durkheim schreef in 1912 al over hoe door het samen met aandacht uitvoeren van bepaalde rituelen een collectieve ervaring ontstaat. Die ervaring zorgt voor een gevoel van solidariteit binnen de gemeenschap. En de rituele handelingen zelf, de plek en de gebruikte objecten krijgen een symbolische waarde. Ze worden onderdeel van het collectieve geheugen en vertegenwoordigen de gemeenschap. Dat gemeenschapsgevoel is volgens Durkheim dan ook een van de belangrijkste functies van religie.

Zulke processen zien we ook terug in niet-religieuze handelingen. Denk aan alledaagse interacties, roken, seks, voetbal, carnaval, de afscheidsdienst van André Hazes of de roodharigendag in Breda4. We hebben het dan over ritualisering: “het procesmatige karakter waarmee bepaalde handelingen (of voorwerpen, personen en momenten) een bijzondere waarde of betekenis krijgen” (Bell, in Stengs 2018, p. 7). Ritualisering is dus een cultureel proces: het verwerven van een centrale plek in het sociale leven. Een bijna sacrale status zelfs, althans voor degenen die erbij betrokken zijn. Val je buiten de gemeenschap, door eigen keuze of door buitensluiting, dan geldt die betekenis niet voor jou. Carnaval is heilig, voor de liefhebber althans.


RITUALISERING IS EEN CULTUREEL PROCES

Hans Mommaas heeft het In zijn essay Waarde van Cultuur over cultuur als “het bredere domein van beelden, vormen (fysiek en ‘performatief’), geluiden en teksten die primair worden voortgebracht en beoordeeld omwille van hun symbolische of vormgevende betekenis” (2012, p. 9). Culturele vormen dus waarin betekenis ontstaat of wordt ervaren. Die betekenis kan van alles zijn: van bewondering, verwarring of afkeer, tot het vragen stellen bij de staat van de wereld of het kantelen van een denkbeeld. Maar de betekenis kan ‘m ook zitten in vermaak, plezier, ontspanning, sfeer en gezelligheid. Voor veel mensen is cultuur maken of cultuur bezoeken iets sociaals: samen zingen in een koor, met vrienden naar een festival of met het gezin gaan kijken naar de parade van de Brabantsedag. Ook bij De Koe van Esbeek, bloemencorso’s en carnavalsoptochten zien we het sociale karakter van cultuur. De betekenis ontstaat in de ervaring van het samen bouwen en bekijken. Het verschil tussen maker en publiek vervaagt: het publiek maakt zijn eigen beleving. Maar ook een individuele beleving is een sociaal proces. Hoe we cultuur beleven, is het resultaat van eerdere ervaringen die zijn opgeslagen in ons individuele en collectieve geheugen. Jouw beleving kan heel anders zijn dan die van mij. Maar of dat nu is in de beslotenheid van een atelier of koptelefoon, of met anderen in een theaterzaal of club, ook je eigen beleving van cultuur is het gevolg van sociale productie.

Zo kunnen we ook beter begrijpen hoe sommige praktijken en objecten ‘erfgoed’ worden en andere niet, volgens hoogleraar Irene Stengs. Dat komt doordat we aan sommige zaken een culturele betekenis geven en een gemeenschap het als waardevol benoemt. Dat is ook een politiek proces. Met het benoemen van bepaalde rituelen of objecten tot erfgoed en andere niet, worden machtsverhoudingen bekrachtigd. Zoals Stengs opmerkt: “Veelal ervaren als in wezen onveranderlijke vormen van cultuur die sinds een vaak ver verleden van generatie op generatie worden overgedragen, vormen rituelen de basis van veel hedendaagse culturele identiteitsvorming, en, in het verlengde daarvan, culturele-identiteitspolitieke kwesties” (2018, p. 8).

Cultuur en erfgoed zijn bouwstenen van onze identiteit. “Erfgoed wás onze identiteit, cultuur ís onze identiteit, en kunst verkent wat onze identiteit kan wórden”. Ze geven houvast in een snel veranderende wereld waar klasse, religie, zuil of nationaliteit steeds minder vanzelfsprekend worden. Zeker in Brabant, waar het katholieke geloof in rap tempo lijkt te verdwijnen, blijken katholieke rituelen, verhalen en beelden verankerd in ons collectieve geheugen. De kroeg heeft misschien wel de plaats ingenomen van de kerk, en het leven wordt nog steeds in de ontmoeting met zielsverwanten beleefd. Zo’n collectieve ervaring is diepgeworteld en we kunnen de culturele eigen(wijs)heid van Brabant daarom niet begrijpen zonder te kijken naar die sociale waarde die ons verbindt.

CULTUUR EN ERFGOED GEVEN HOUVAST IN EEN SNEL VERANDERENDE WERELD WAAR KLASSE, RELIGIE, ZUIL OF NATIONALITEIT STEEDS MINDER VANZELFSPREKEND WORDEN

Zo krijgen we grip op de betekeniswaarde van cultuur, op wat kunst, ontwerp en erfgoed met elkaar verbindt. Alles draait om de interactie tussen werk, individu, en maatschappij. Daarin construeren, cultiveren (!), circuleren en reproduceren we met elkaar betekenis. De Melkfabriek in Esbeek heeft dat allemaal in zich. Het laat ons filosoferen over de agrarische traditie in het landschap, het mobiliseert een dragende gemeenschap die samen van de Koe een totem maakt, en het geeft ons stof tot nadenken over de toekomst van de relatie tussen mens en dier. Daarnaast laat de Koe nog een ander effect zien: hoe cultuur schakelt met andere werelden. Zo profiteert de toeristische sector in Esbeek van de extra zichtbaarheid en belevingswaarde voor de wandelroute die bezoekers van en naar de Koe leidt. En zo komen we dan bij het tweede perspectief op hoe cultuur werkt: het ‘meekoppelende’ belang.

Meekoppelend belang

Sinds de jaren 80 van de vorige eeuw kijken we kritischer naar overheidsingrijpen en heeft het New Public Management zijn intrede gedaan in de beleidswereld. De investering van publieke middelen wordt gemonitord en moet bewijzen dat het efficiënt en effectief is. Ook cultuurbeleidsdoelstellingen worden gekoppeld aan andere beleidsterreinen om meerwaarde te krijgen. Cultuur is bijvoorbeeld van waarde als het economische of sociale voordelen oplevert. Zo vinden we het belangrijk dat er culturele activiteiten in een stad zijn voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor hoogopgeleide arbeidskrachten, als ‘trekker’ in een toeristische industrie of als motor voor innovatie. Ook zoeken we de waarde van cultuur in de bijdrage aan ontmoeting tussen mensen, aan het saamhorigheidsgevoel van een buurt en aan actieve en betrokken burgers. De laatste jaren wordt cultuur zelfs steeds minder gezien als zelfstandige sector, maar meer als factor in sociale en economische ontwikkelingen6. Daarin ziet de overheid een wettelijke verantwoordelijkheid om te zorgen voor een culturele en creatieve sector die goed functioneert. Sterker nog, in 2013 stelt het ministerie zelfs: “het bestaansrecht van kunstenaars en culturele instellingen ligt niet zozeer in de sector zelf maar in de verbinding met de samenleving”.

We weten al hoe waarde ontstaat, en hoe die kan worden overgebracht op de gemeenschap (trots, welzijn of sociale verbondenheid), object (totem, symbool of kunstwerk) of locatie (kerk, erfgoedcomplex, creatieve hotspot). Al in de jaren 40 van de vorige eeuw zagen de cultuurfilosofen van de Frankfurter Schule hoe cultuur steeds meer aan economie verknoopt raakte, en na de jaren 80 lijkt dat alleen maar meer te worden. Aan de ene kant zien we een ontculturalisering of ontheiliging van het culturele domein. De drijfveren daarachter zijn kunststromingen als dadaïsme, De Stijl en popart die het alledaagse tot kunst verheffen, maar ook de democratisering en emancipatie van subculturen die de culturele canon en traditionele smaakautoriteiten niet langer zonder meer accepteren. Aan de andere kant zien we juist een verculturalisering van de samenleving, waarin esthetiek, beleving en creativiteit steeds belangrijker worden. Denk bijvoorbeeld aan de nadruk op vormgeving van alledaagse producten, maar ook aan themawoonwijken, cultuurtoerisme en creatieve clusters. Sterker nog, zelfs ons lichaam wordt steeds meer gekoesterd alsof het een kunstwerk is: our body is our canvas. Het moet gestyled, getatoeëerd en gefotografeerd worden om onze identiteit vorm te geven en te presenteren. Deze twee op het oog paradoxale bewegingen laten zien hoe het domein van kunst, cultuur en erfgoed steeds vaker wordt verknoopt aan andere domeinen om andere waarden te bereiken.

Naast een betekeniswaarde heeft cultuur dus ook een instrumentele waarde. Maar er zit een fundamentele spanning tussen die twee waardes. De manier waarop we met die spanning omgaan, zien we terug in hoe wij beleid voor cultuur vormgeven. Als we dat vanuit de geschiedenis bekijken, kunnen we begrijpen hoe ons cultuurbegrip telkens verandert.

Cultuur(beleid)verandering

Verenigen, Verheffen en Verspreiden
De eerste sporen van een overheidsbeleid voor cultuur ontstaan in loop van de 19e eeuw. De dan nog jonge natiestaat moest haar bestaansrecht bewijzen. De opening van het Rijksmuseum in 1885 en het Concertgebouw in 1888 werden uit publieke middelen gefinancierd om de ‘Nederlandse’ identiteit te construeren en zichtbaar te maken. Cultuurbeleid was vooral gericht op het behouden en tonen van het (nationale) culturele erfgoed. En op het bijeenbrengen van het Nederlandse volk als één culturele gemeenschap.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de doelen verbreed. ‘Kwalitatief hoogstaande’ cultuur moest voor een zo groot mogelijk publiek toegankelijk worden. Cultuur werd een sector, en cultuurbeleid ging zich behalve op erfgoed ook richten op de zogenaamde ‘hoge kunsten’, zoals toneel, opera, klassieke muziek en beeldende kunsten. In Brabant werden Het Brabants Orkest in 1949 en Het Zuidelijk Toneel in 1954 opgericht; er was behoefte aan eigen professionele voorzieningen naast de landelijke. Actief spreidingsbeleid, ruimtelijk én sociaal, werd ingezet om toegang en deelname te stimuleren. Dat beleid werd trouwens niet geïnitieerd door de overheid, het was eerder een voortzetting van wat al door fabriekseigenaren (zoals Philips in Eindhoven), religieuze en ideologische organisaties in gang was gezet. Maar met de ontzuiling, ontkerkelijking en opkomst van nieuwe vormen van arbeid nam hun invloedssfeer af. Om te voorkomen dat de burger ten onder ging aan al die vrijheid, werden alternatieve ‘goede’ vrijetijdbestedingen aangeboden. Naast sportbeleid en jongerenwerk werden amateurkunst en cultuurparticipatie gezien als een manier om de lagere standen te verheffen en op te voeden tot goede burgers.

Dat riep uiteraard ook weerstand op, met name bij de babyboomgeneratie. Wie had het recht om te bepalen wat hoge en lage cultuur was? Onder invloed van de emancipatiebewegingen werd het cultuurbegrip in de loop van de jaren 60 en 70 verbreed. Populaire en multi-etnische cultuur veroverden hun plek in het overheidslandschap en ook pluriformiteit en representatie werden beleidsdoelen. Maar dat begon te wringen. Aan de ene kant werden ‘verheffende’ culturele praktijken gestimuleerd om het volk te beschermen tegen ‘verderfelijke popcultuur’, terwijl aan de andere kant het argument van pluriformiteit en representatie gebruikt werd om diezelfde popcultuur te stimuleren.

Verdienen en Vernieuwen
In de loop van de jaren 80 en 90 kwam er nog een doel bij. Ook het subsidiestelsel voor cultuur had zijn grenzen bereikt: er moest worden bezuinigd. Dit ging hand in hand met een groeiend commercieel cultureel aanbod, digitalisering en de opkomst van een toeristische industrie. Ook de cultuursector kon deels worden geprivatiseerd. Cultuur die wél met publieke middelen moest worden betaald, moest worden verantwoord. Cultuur werd ook gezien als een economische waarde: culturele voorzieningen bleken uitstekend in staat om toeristen naar een stad lokken, het gaf plekken identiteit in de toenemende ‘aandachtseconomie’. Ook werd cultuur steeds vaker gezien als instrument voor vastgoedontwikkeling: het kon een nieuwe urban cool toevoegen aan verlaten stadswijken en oude industriegebieden. Het resultaat was dat het culturele veld zich harder moest bewijzen dan ooit voor overheidssteun, en tegelijkertijd steeds vaker als instrument werd ingezet om andere doelen mogelijk te maken.

Die ontwikkeling zet zich in het begin van deze eeuw door. De druk op kunstenaars wordt verhoogd om ondernemerschap te tonen en hun cultureel-creatieve waarde te vermarkten. Daarnaast inspireert de economisch geograaf Richard Florida stadsbestuurders om actief beleid te ontwikkelen om de ‘creatieve klasse’ een plek te bieden in de stad. Hun aanwezigheid zou dé succesfactor zijn in de war for talent. Kunst, cultuur en creativiteit krijgen een centrale plaats op de economische agenda van steden en regio’s. Zo wordt in Eindhoven design toegevoegd als pijler van een nieuwe ontwikkelagenda die de regionale economie moet gaan dragen. De term ‘culturele sector’ wordt in steeds vaker verruild voor ‘creatieve industrie’. In 2011 wordt deze benoemd tot topsector en twee jaar later wordt een landelijk Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie ingesteld voor architectuur, vormgeving, mode, games en digital storytelling. Disciplines waar culturele en economische waarden elkaar makkelijker lijken te vinden dan in andere.


‘CULTUUR’ IS ALLES WAT GEEN NATUUR IS, OFWEL ALLES WAT DOOR DE MENS IS ‘GECULTIVEERD’

Het is geen verrassing: in deze periode staat overheidssteun voor de rest van de culturele sector onder grote druk. In de nasleep van de financiële crisis besluiten Rijk, provincies en gemeenten zwaar te bezuinigen. Er worden scherpe keuzes gemaakt welke activiteiten en instellingen nog op overheidssteun kunnen rekenen. Productiehuizen worden gesloten en belangrijke schakels in de keten verdwijnen. Steeds meer kunstenaars gaan als zelfstandige aan de slag, wat vaak leidt tot een wankele arbeidsmarktpositie. Op hetzelfde moment wordt het gat dat geslagen is voor een deel opgevangen door informele vormen van zelforganisatie: nieuwe makerscollectieven die eenvoudig schakelen in netwerken en zo zelf de context creëren voor hun praktijk. De provincie Noord-Brabant ontwikkelt nieuwe financieringsinstrumenten zoals impulsgelden, kennisvouchers en het Brabant C-fonds om professionalisering, internationalisering, samenwerking en verzelfstandiging te stimuleren. Tegelijkertijd zien we een deel van het culturele leven van de (publieke) radar verdwijnen: niet-geïnstitutionaliseerde, informele en immateriële praktijken vinden geen of beperkte aansluiting op cultuurbeleid. Zolang het cultuurbegrip daar geen ruimte voor laat, houdt dit zichzelf in stand.

Ander vocabulaire

De verschillende opvattingen over cultuur(waarde) verklaren voor een deel hoe ons cultuurbeleid vandaag de dag vormgegeven is. Over de jaren heen zien we een stapeling van verschillende ideeën over de waarde van cultuur. De verschillende agenda’s hebben elkaar niet vervangen, maar zijn min of meer naast elkaar blijven bestaan. Dat zorgt dat ze elkaar soms bijten. Tegelijkertijd is er steeds minder draagvlak voor overheidssteun voor cultuur. De ene cultuurvorm schakelt eenvoudiger met bepaalde beleidsdoelen dan andere. Nu cultuur vooral gezien wordt als middel om te verdienen en te vernieuwen, verschuift de beleidsaandacht naar het stimuleren en faciliteren van talentontwikkeling en internationalisering. Vooral binnen disciplines in toegepaste creativiteit. Voor een ontwerper is het makkelijker om zich te verbinden aan een innovatieagenda dan voor een choreograaf. Industrieel erfgoed in de stad wordt makkelijker herontwikkeld tot creatieve hotspot dan de zoveelste leegstaande kerk in een krimpgemeente. En de volkscultuur van corso’s, fanfares en carnaval die belangrijk kunnen zijn voor het wortelen van (jonge) mensen en het leefbaar houden van het platteland, past maar lastig bij de economisch-ruimtelijke ontwikkelagenda’s van stedelijke regio’s.

Hoe we naar cultuur kijken is een weergave van ons cultuurbeleid. Doordat we cultuur steeds meer zien als een instrument, heeft het cultuurbeleid een steeds centralere positie gekregen in ontwikkelagenda’s en bestuursakkoorden. Cultuur als een duizenddingendoekje: een wondermiddel dat allerlei effecten kan bereiken, zonder dat we ons de kritische vraag stellen of ze daar wel altijd even geschikt voor is. Om publieke steun te krijgen, zoeken we naar steeds betere meetmethoden voor de impact van cultuur. Maar het is de vraag of betere monitoring wel de juiste weg is. De Britse denktank Demos signaleerde het al: “those things that [are] easy to measure tend to become objectives, and those that [are not, are] downplayed or ignored” (2004, p. 17).

Als externe effecten centraal komen te staan, ontstaat het gevaar dat cultuur die meetbaar is als meest waardevol wordt gezien. Maar wat als de betekenis niet per se zichtbaar, maar wel voelbaar is? Zoals Demos stelt: “it is the job of a gallery to put a painting on a wall […] they cannot, and should not, require that 40% of viewers will have a spiritual experience in front of it” (2004, p. 21). Dat betekent dat alles wat niet-geïnstitutionaliseerd, informeel, privaat, digitaal en immaterieel is onderbelicht blijft. En dat er dus geen plaats is voor hoe een culturele ervaring iemand kan raken, een spiegel voor kan houden of een denkbeeld kan doen kantelen.

Om díe betekeniswaarde toch een plek te geven in de discussie, wordt weleens verwezen naar de intrinsieke of artistiek-expressieve waarde van cultuur. Die waardering ligt vaak in handen van deskundigen, meestal beoordelingscommissies van experts, gevestigde instituties en makers. Tegelijkertijd staat de deskundigenmacht onder druk, niet alleen in het culturele veld, maar ook in de (medische) wetenschap, rechterlijke macht en de media. Dat draagt niet bij aan een breder draagvlak voor cultuur. Bovendien gaat het voorbij aan het feit dat voor veel mensen cultuur om hele andere redenen betekenisvol is: vanwege een herinnering, verbinding met anderen, omdat het iemand ‘raakt’ of even doet ontsnappen van de dagelijkse zorgen.

De (inter)persoonlijke betekenis van kunst, cultuur of erfgoed is misschien moeilijk in algemene en objectieve termen te vatten, maar dat wil niet zeggen dat die niet van waarde is. Het draagvlak voor publieke steun aan cultuur staat onder druk. Uiteindelijk heeft een overheid de verantwoordelijkheid om keuzes te maken en moet zij die verantwoorden aan de steeds kritischere burger. De uitdaging is om op zoek te gaan naar een ander vocabulaire om culturele waarde te verwoorden.

Cultuur(beleid)verandering

Verenigen, Verheffen en Verspreiden
De eerste sporen van een overheidsbeleid voor cultuur ontstaan in loop van de 19e eeuw. De dan nog jonge natiestaat moest haar bestaansrecht bewijzen. De opening van het Rijksmuseum in 1885 en het Concertgebouw in 1888 werden uit publieke middelen gefinancierd om de ‘Nederlandse’ identiteit te construeren en zichtbaar te maken. Cultuurbeleid was vooral gericht op het behouden en tonen van het (nationale) culturele erfgoed. En op het bijeenbrengen van het Nederlandse volk als één culturele gemeenschap.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de doelen verbreed. ‘Kwalitatief hoogstaande’ cultuur moest voor een zo groot mogelijk publiek toegankelijk worden. Cultuur werd een sector, en cultuurbeleid ging zich behalve op erfgoed ook richten op de zogenaamde ‘hoge kunsten’, zoals toneel, opera, klassieke muziek en beeldende kunsten. In Brabant werden Het Brabants Orkest in 1949 en Het Zuidelijk Toneel in 1954 opgericht; er was behoefte aan eigen professionele voorzieningen naast de landelijke. Actief spreidingsbeleid, ruimtelijk én sociaal, werd ingezet om toegang en deelname te stimuleren. Dat beleid werd trouwens niet geïnitieerd door de overheid, het was eerder een voortzetting van wat al door fabriekseigenaren (zoals Philips in Eindhoven), religieuze en ideologische organisaties in gang was gezet. Maar met de ontzuiling, ontkerkelijking en opkomst van nieuwe vormen van arbeid nam hun invloedssfeer af. Om te voorkomen dat de burger ten onder ging aan al die vrijheid, werden alternatieve ‘goede’ vrijetijdbestedingen aangeboden. Naast sportbeleid en jongerenwerk werden amateurkunst en cultuurparticipatie gezien als een manier om de lagere standen te verheffen en op te voeden tot goede burgers.

Dat riep uiteraard ook weerstand op, met name bij de babyboomgeneratie. Wie had het recht om te bepalen wat hoge en lage cultuur was? Onder invloed van de emancipatiebewegingen werd het cultuurbegrip in de loop van de jaren 60 en 70 verbreed. Populaire en multi-etnische cultuur veroverden hun plek in het overheidslandschap en ook pluriformiteit en representatie werden beleidsdoelen. Maar dat begon te wringen. Aan de ene kant werden ‘verheffende’ culturele praktijken gestimuleerd om het volk te beschermen tegen ‘verderfelijke popcultuur’, terwijl aan de andere kant het argument van pluriformiteit en representatie gebruikt werd om diezelfde popcultuur te stimuleren.

Verdienen en Vernieuwen
In de loop van de jaren 80 en 90 kwam er nog een doel bij. Ook het subsidiestelsel voor cultuur had zijn grenzen bereikt: er moest worden bezuinigd. Dit ging hand in hand met een groeiend commercieel cultureel aanbod, digitalisering en de opkomst van een toeristische industrie. Ook de cultuursector kon deels worden geprivatiseerd. Cultuur die wél met publieke middelen moest worden betaald, moest worden verantwoord. Cultuur werd ook gezien als een economische waarde: culturele voorzieningen bleken uitstekend in staat om toeristen naar een stad lokken, het gaf plekken identiteit in de toenemende ‘aandachtseconomie’. Ook werd cultuur steeds vaker gezien als instrument voor vastgoedontwikkeling: het kon een nieuwe urban cool toevoegen aan verlaten stadswijken en oude industriegebieden. Het resultaat was dat het culturele veld zich harder moest bewijzen dan ooit voor overheidssteun, en tegelijkertijd steeds vaker als instrument werd ingezet om andere doelen mogelijk te maken.

Die ontwikkeling zet zich in het begin van deze eeuw door. De druk op kunstenaars wordt verhoogd om ondernemerschap te tonen en hun cultureel-creatieve waarde te vermarkten. Daarnaast inspireert de economisch geograaf Richard Florida stadsbestuurders om actief beleid te ontwikkelen om de ‘creatieve klasse’ een plek te bieden in de stad. Hun aanwezigheid zou dé succesfactor zijn in de war for talent. Kunst, cultuur en creativiteit krijgen een centrale plaats op de economische agenda van steden en regio’s. Zo wordt in Eindhoven design toegevoegd als pijler van een nieuwe ontwikkelagenda die de regionale economie moet gaan dragen. De term ‘culturele sector’ wordt in steeds vaker verruild voor ‘creatieve industrie’. In 2011 wordt deze benoemd tot topsector en twee jaar later wordt een landelijk Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie ingesteld voor architectuur, vormgeving, mode, games en digital storytelling. Disciplines waar culturele en economische waarden elkaar makkelijker lijken te vinden dan in andere.


‘CULTUUR’ IS ALLES WAT GEEN NATUUR IS, OFWEL ALLES WAT DOOR DE MENS IS ‘GECULTIVEERD’

Het is geen verrassing: in deze periode staat overheidssteun voor de rest van de culturele sector onder grote druk. In de nasleep van de financiële crisis besluiten Rijk, provincies en gemeenten zwaar te bezuinigen. Er worden scherpe keuzes gemaakt welke activiteiten en instellingen nog op overheidssteun kunnen rekenen. Productiehuizen worden gesloten en belangrijke schakels in de keten verdwijnen. Steeds meer kunstenaars gaan als zelfstandige aan de slag, wat vaak leidt tot een wankele arbeidsmarktpositie. Op hetzelfde moment wordt het gat dat geslagen is voor een deel opgevangen door informele vormen van zelforganisatie: nieuwe makerscollectieven die eenvoudig schakelen in netwerken en zo zelf de context creëren voor hun praktijk. De provincie Noord-Brabant ontwikkelt nieuwe financieringsinstrumenten zoals impulsgelden, kennisvouchers en het Brabant C-fonds om professionalisering, internationalisering, samenwerking en verzelfstandiging te stimuleren. Tegelijkertijd zien we een deel van het culturele leven van de (publieke) radar verdwijnen: niet-geïnstitutionaliseerde, informele en immateriële praktijken vinden geen of beperkte aansluiting op cultuurbeleid. Zolang het cultuurbegrip daar geen ruimte voor laat, houdt dit zichzelf in stand.

Ander vocabulaire

De verschillende opvattingen over cultuur(waarde) verklaren voor een deel hoe ons cultuurbeleid vandaag de dag vormgegeven is. Over de jaren heen zien we een stapeling van verschillende ideeën over de waarde van cultuur. De verschillende agenda’s hebben elkaar niet vervangen, maar zijn min of meer naast elkaar blijven bestaan. Dat zorgt dat ze elkaar soms bijten. Tegelijkertijd is er steeds minder draagvlak voor overheidssteun voor cultuur. De ene cultuurvorm schakelt eenvoudiger met bepaalde beleidsdoelen dan andere. Nu cultuur vooral gezien wordt als middel om te verdienen en te vernieuwen, verschuift de beleidsaandacht naar het stimuleren en faciliteren van talentontwikkeling en internationalisering. Vooral binnen disciplines in toegepaste creativiteit. Voor een ontwerper is het makkelijker om zich te verbinden aan een innovatieagenda dan voor een choreograaf. Industrieel erfgoed in de stad wordt makkelijker herontwikkeld tot creatieve hotspot dan de zoveelste leegstaande kerk in een krimpgemeente. En de volkscultuur van corso’s, fanfares en carnaval die belangrijk kunnen zijn voor het wortelen van (jonge) mensen en het leefbaar houden van het platteland, past maar lastig bij de economisch-ruimtelijke ontwikkelagenda’s van stedelijke regio’s.

Hoe we naar cultuur kijken is een weergave van ons cultuurbeleid. Doordat we cultuur steeds meer zien als een instrument, heeft het cultuurbeleid een steeds centralere positie gekregen in ontwikkelagenda’s en bestuursakkoorden. Cultuur als een duizenddingendoekje: een wondermiddel dat allerlei effecten kan bereiken, zonder dat we ons de kritische vraag stellen of ze daar wel altijd even geschikt voor is. Om publieke steun te krijgen, zoeken we naar steeds betere meetmethoden voor de impact van cultuur. Maar het is de vraag of betere monitoring wel de juiste weg is. De Britse denktank Demos signaleerde het al: “those things that [are] easy to measure tend to become objectives, and those that [are not, are] downplayed or ignored” (2004, p. 17).

Als externe effecten centraal komen te staan, ontstaat het gevaar dat cultuur die meetbaar is als meest waardevol wordt gezien. Maar wat als de betekenis niet per se zichtbaar, maar wel voelbaar is? Zoals Demos stelt: “it is the job of a gallery to put a painting on a wall […] they cannot, and should not, require that 40% of viewers will have a spiritual experience in front of it” (2004, p. 21). Dat betekent dat alles wat niet-geïnstitutionaliseerd, informeel, privaat, digitaal en immaterieel is onderbelicht blijft. En dat er dus geen plaats is voor hoe een culturele ervaring iemand kan raken, een spiegel voor kan houden of een denkbeeld kan doen kantelen.

Om díe betekeniswaarde toch een plek te geven in de discussie, wordt weleens verwezen naar de intrinsieke of artistiek-expressieve waarde van cultuur. Die waardering ligt vaak in handen van deskundigen, meestal beoordelingscommissies van experts, gevestigde instituties en makers. Tegelijkertijd staat de deskundigenmacht onder druk, niet alleen in het culturele veld, maar ook in de (medische) wetenschap, rechterlijke macht en de media. Dat draagt niet bij aan een breder draagvlak voor cultuur. Bovendien gaat het voorbij aan het feit dat voor veel mensen cultuur om hele andere redenen betekenisvol is: vanwege een herinnering, verbinding met anderen, omdat het iemand ‘raakt’ of even doet ontsnappen van de dagelijkse zorgen.

De (inter)persoonlijke betekenis van kunst, cultuur of erfgoed is misschien moeilijk in algemene en objectieve termen te vatten, maar dat wil niet zeggen dat die niet van waarde is. Het draagvlak voor publieke steun aan cultuur staat onder druk. Uiteindelijk heeft een overheid de verantwoordelijkheid om keuzes te maken en moet zij die verantwoorden aan de steeds kritischere burger. De uitdaging is om op zoek te gaan naar een ander vocabulaire om culturele waarde te verwoorden.

Cultureel ecosysteem als antwoord?

Kort geleden heeft het ministerie van OC&W het advies van de Raad voor Cultuur overgenomen om regionale cultuurprofielen te ontwikkelen. Het is een poging om meer flexibiliteit aan te brengen in het regionale cultuurbeleid door de ordening te zoeken in het zogenaamde ‘culturele ecosysteem’.

We zagen al dat de taal van de antropologie te open was en die van de economie te gesloten. Daarom grijpen we nu naar de taal van de biologie om het culturele leven te begrijpen. ‘Cultureel ecosysteem’ is daar een voorbeeld van; het betekent ruimte en aandacht voor de horizontale en verticale relaties van beoefenaar tot professional, van maker tot liefhebber, van top-down georganiseerde instellingen tot bottom-up ontwikkelde vormen van zelforganisatie.

Het begrip ecosysteem belicht de eigenschappen die het kenmerken: het ontstaan, de groei, de relaties en netwerken, de complexiteit van die relaties, de verandering (evolutie), het naar elkaar toe groeien en de kwetsbaarheid van het systeem. In een gezond cultureel ecosysteem wordt kennis gedeeld en verspreid, worden vaardigheden ontwikkeld en doorgegeven, en kunnen geldstromen circuleren. Het is veerkrachtig en kan zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Maar het kan ook kwetsbaar worden als schakels wegvallen of dominante organismen het systeem verstikken. Een drastische afname van een klein organisme kan een heel systeem aan het wankelen brengen.

Zo’n benadering maakt het mogelijk om het culturele leven in Brabant meer open te duiden. Er is ruimte om de eigenheid van een regio, de interactie tussen stad en land te schetsen. En dat in relatie tot lokale, nationale en globale schaal. Het legt alle schakels bloot: de vitale, de zwakke en de ontbrekende. Zo kunnen we naar de onderlinge samenhang, toenemende hybriditeit en het levensloopperspectief van culturele praktijken kijken. En zien hoe, in Gerard Rooijakkers’ woorden, de top weer kan worden verbonden met de berg.

Maar een ecosysteembenadering alleen is niet voldoende. Het geeft beleidsmakers een invalshoek om te sturen op een vitaal en veerkrachtig systeem. Precies daarin zit alleen ook de zwakte van de metafoor: een analyse van hoe cultuur werkt ontbreekt. Het geeft geen antwoord op de waarom-vraag: waaróm heeft de overheid de taak om zich te mengen het culturele leven? Een ecosysteembenadering laat zien hoe de lijntjes lopen, maar zegt niets over welke uitkomsten we belangrijk vinden. Uiteindelijk komt die betekeniswaarde van cultuur weer op afstand. Voor we er erg in hebben, hebben we onszelf opnieuw vastgezet in een ordeningsprincipe. Hoe komen we hier nu écht uit?

Verbinden en Verbeelden

Als puntje bij paaltje komt, is de waarde van cultuur een beslissing van individuen, bedrijfsleven en politiek. En die laatste verdeelt onze schaarse publieke middelen – dat vraagt om een legitimering van de gemaakte keuzes en meetbare criteria. Maar wat we kunnen meten staat niet gelijk aan de werkelijke betekenis van cultuur voor individu, gemeenschap en maatschappij.

Als we echt willen aansluiten bij de eigen(wijs)heid van het Brabantse culturele leven, dan moeten we op zoek naar een cultuurbegrip dat ruimte geeft voor een meervoudig waardeperspectief. Dat vraagt om een ander vocabulaire. Ons cultuurbegrip zit ‘m te veel in concrete afbakeningen, instituties en indicatoren. We moeten daarom op zoek naar een inclusief cultuurbegrip waarin rationeel-economische begrippen zoals commerciële of gebruikswaarde worden aangevuld met zaken als historische waarde, symbolische waarde, sociale waarde, esthetische waarde, artistieke waarde, spirituele waarde, veerkracht, dynamiek en balans. Een cultuurbegrip dus waar ruimte is voor de waarde van verbeelding en verbinding.

ALS WE ECHT WILLEN AANSLUITEN BIJ DE EIGEN(WIJS)HEID VAN HET BRABANTSE CULTURELE LEVEN, DAN MOETEN WE OP ZOEK NAAR EEN CULTUURBEGRIP DAT RUIMTE GEEFT VOOR EEN MEERVOUDIG WAARDEPERSPECTIEF.

Cultuur is júíst waardevol in het samenspel van al deze waarden. Een nieuw vocabulaire moet dus ook niet ten koste gaan van het oude. Dit is geen oproep om te stoppen met objectieve maatstaven en ons over te geven aan wollig taalgebruik waarin cultuur boven alle kritiek verheven is. Dit is een oproep om de subjectieve waarden te benoemen en naast de objectieve te plaatsen. Zodat we ruimte geven aan verbeelding en verbinding. Erkennen dat cultuur ook van waarde is door dat wat groter is dan onszelf. Voelbaar maken waar we niet altijd woorden voor hebben maar wat bevestigt wie we zijn; individueel en in relatie tot anderen.

Cultuurbeleid moet helder zijn. Dat geeft makers de opdracht om die waarde te verwoorden, te verbeelden en te verantwoorden. Niet volgens een vooraf vastgesteld protocol, maar door hier zelf op te reflecteren. Daarna is het aan de samenleving om te bepalen wat zij daaraan wil bijdragen. Dat betekent ook vertrouwen, uitproberen en verdiepen. We hebben meer ruimte nodig voor fuzziness. Want waarde ontstaat waar maken en ervaren samenkomen. De waarde van cultuur kan zich pas verbinden aan andere waarden als ze ruimte krijgt om tot ontwikkeling te komen. Een corso is tenslotte meer dan de duizenden vrijwilligers, de tienduizenden bezoekers en de honderdduizenden dahlia’s. Het corso is vooral, en bovenal, het samen creëren en ervaren van emotie.

Cultureel ecosysteem als antwoord?

Kort geleden heeft het ministerie van OC&W het advies van de Raad voor Cultuur overgenomen om regionale cultuurprofielen te ontwikkelen. Het is een poging om meer flexibiliteit aan te brengen in het regionale cultuurbeleid door de ordening te zoeken in het zogenaamde ‘culturele ecosysteem’.

We zagen al dat de taal van de antropologie te open was en die van de economie te gesloten. Daarom grijpen we nu naar de taal van de biologie om het culturele leven te begrijpen. ‘Cultureel ecosysteem’ is daar een voorbeeld van; het betekent ruimte en aandacht voor de horizontale en verticale relaties van beoefenaar tot professional, van maker tot liefhebber, van top-down georganiseerde instellingen tot bottom-up ontwikkelde vormen van zelforganisatie.

Het begrip ecosysteem belicht de eigenschappen die het kenmerken: het ontstaan, de groei, de relaties en netwerken, de complexiteit van die relaties, de verandering (evolutie), het naar elkaar toe groeien en de kwetsbaarheid van het systeem. In een gezond cultureel ecosysteem wordt kennis gedeeld en verspreid, worden vaardigheden ontwikkeld en doorgegeven, en kunnen geldstromen circuleren. Het is veerkrachtig en kan zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Maar het kan ook kwetsbaar worden als schakels wegvallen of dominante organismen het systeem verstikken. Een drastische afname van een klein organisme kan een heel systeem aan het wankelen brengen.

Zo’n benadering maakt het mogelijk om het culturele leven in Brabant meer open te duiden. Er is ruimte om de eigenheid van een regio, de interactie tussen stad en land te schetsen. En dat in relatie tot lokale, nationale en globale schaal. Het legt alle schakels bloot: de vitale, de zwakke en de ontbrekende. Zo kunnen we naar de onderlinge samenhang, toenemende hybriditeit en het levensloopperspectief van culturele praktijken kijken. En zien hoe, in Gerard Rooijakkers’ woorden, de top weer kan worden verbonden met de berg.

Maar een ecosysteembenadering alleen is niet voldoende. Het geeft beleidsmakers een invalshoek om te sturen op een vitaal en veerkrachtig systeem. Precies daarin zit alleen ook de zwakte van de metafoor: een analyse van hoe cultuur werkt ontbreekt. Het geeft geen antwoord op de waarom-vraag: waaróm heeft de overheid de taak om zich te mengen het culturele leven? Een ecosysteembenadering laat zien hoe de lijntjes lopen, maar zegt niets over welke uitkomsten we belangrijk vinden. Uiteindelijk komt die betekeniswaarde van cultuur weer op afstand. Voor we er erg in hebben, hebben we onszelf opnieuw vastgezet in een ordeningsprincipe. Hoe komen we hier nu écht uit?

Verbinden en Verbeelden

Als puntje bij paaltje komt, is de waarde van cultuur een beslissing van individuen, bedrijfsleven en politiek. En die laatste verdeelt onze schaarse publieke middelen – dat vraagt om een legitimering van de gemaakte keuzes en meetbare criteria. Maar wat we kunnen meten staat niet gelijk aan de werkelijke betekenis van cultuur voor individu, gemeenschap en maatschappij.

Als we echt willen aansluiten bij de eigen(wijs)heid van het Brabantse culturele leven, dan moeten we op zoek naar een cultuurbegrip dat ruimte geeft voor een meervoudig waardeperspectief. Dat vraagt om een ander vocabulaire. Ons cultuurbegrip zit ‘m te veel in concrete afbakeningen, instituties en indicatoren. We moeten daarom op zoek naar een inclusief cultuurbegrip waarin rationeel-economische begrippen zoals commerciële of gebruikswaarde worden aangevuld met zaken als historische waarde, symbolische waarde, sociale waarde, esthetische waarde, artistieke waarde, spirituele waarde, veerkracht, dynamiek en balans. Een cultuurbegrip dus waar ruimte is voor de waarde van verbeelding en verbinding.

ALS WE ECHT WILLEN AANSLUITEN BIJ DE EIGEN(WIJS)HEID VAN HET BRABANTSE CULTURELE LEVEN, DAN MOETEN WE OP ZOEK NAAR EEN CULTUURBEGRIP DAT RUIMTE GEEFT VOOR EEN MEERVOUDIG WAARDEPERSPECTIEF.

Cultuur is júíst waardevol in het samenspel van al deze waarden. Een nieuw vocabulaire moet dus ook niet ten koste gaan van het oude. Dit is geen oproep om te stoppen met objectieve maatstaven en ons over te geven aan wollig taalgebruik waarin cultuur boven alle kritiek verheven is. Dit is een oproep om de subjectieve waarden te benoemen en naast de objectieve te plaatsen. Zodat we ruimte geven aan verbeelding en verbinding. Erkennen dat cultuur ook van waarde is door dat wat groter is dan onszelf. Voelbaar maken waar we niet altijd woorden voor hebben maar wat bevestigt wie we zijn; individueel en in relatie tot anderen.

Cultuurbeleid moet helder zijn. Dat geeft makers de opdracht om die waarde te verwoorden, te verbeelden en te verantwoorden. Niet volgens een vooraf vastgesteld protocol, maar door hier zelf op te reflecteren. Daarna is het aan de samenleving om te bepalen wat zij daaraan wil bijdragen. Dat betekent ook vertrouwen, uitproberen en verdiepen. We hebben meer ruimte nodig voor fuzziness. Want waarde ontstaat waar maken en ervaren samenkomen. De waarde van cultuur kan zich pas verbinden aan andere waarden als ze ruimte krijgt om tot ontwikkeling te komen. Een corso is tenslotte meer dan de duizenden vrijwilligers, de tienduizenden bezoekers en de honderdduizenden dahlia’s. Het corso is vooral, en bovenal, het samen creëren en ervaren van emotie.

Top