Scroll to top
EEN ESSAY VAN FRANK G. BOSMAN

Religie incognito

Frank G. Bosman gaat in dit essay op zoek naar God in Brabant. Wat is dat toch met die Brabanders en hun religie, die stiekem maar onstuitbaar overal doorheen lijkt te sijpelen, tot aan het carnaval toe?

Frank ziet dat als je de Brabander in zijn culturele eigen/heid wil begrijpen, je zijn religieuze erfenis serieus moet nemen. Door de specifieke cultureel-historische ontwikkeling en de sociologische (eigen)aardigheden van deze provincie is de typische Brabander wellicht te kwalificeren als nog relatief gevoelig voor de religieuze dimensie van het menselijk bestaan. Hoewel de religieuze deverbalisatie ook deze provincie niet voorbij is gegaan, is het besef te leven in een groter verband dat het hier en nu overstijgt, hier nog levend en wel.

Over de auteur

Frank G. Bosman (1978) is een rooms-katholiek cultuurtheoloog, auteur en spreker over kerk, geloof en maatschappij. In 2018 verschenen drie boeken van zijn hand: Spelen met God; Kleine theologie van videogames, Vader, dochter en heilige geest; Geloofsgesprekken tussen een theoloog en zijn dochter én God is er al! Over geloof, cultuur en theologie. Hij onderzoekt aan het Tilburg Cobbenhagen Center (Universiteit van Tilburg) de complexe verschijningsvormen van religiositeit in onze postmoderne samenleving. Zie: www.frankgbosman.nl.

EEN ESSAY VAN FRANK G. BOSMAN

Religie incognito

Frank G. Bosman gaat in dit essay op zoek naar God in Brabant. Wat is dat toch met die Brabanders en hun religie, die stiekem maar onstuitbaar overal doorheen lijkt te sijpelen, tot aan het carnaval toe?

Frank ziet dat als je de Brabander in zijn culturele eigen/heid wil begrijpen, je zijn religieuze erfenis serieus moet nemen. Door de specifieke cultureel-historische ontwikkeling en de sociologische (eigen)aardigheden van deze provincie is de typische Brabander wellicht te kwalificeren als nog relatief gevoelig voor de religieuze dimensie van het menselijk bestaan. Hoewel de religieuze deverbalisatie ook deze provincie niet voorbij is gegaan, is het besef te leven in een groter verband dat het hier en nu overstijgt, hier nog levend en wel.

Over de auteur

Frank G. Bosman (1978) is een rooms-katholiek cultuurtheoloog, auteur en spreker over kerk, geloof en maatschappij. In 2018 verschenen drie boeken van zijn hand: Spelen met God; Kleine theologie van videogames, Vader, dochter en heilige geest; Geloofsgesprekken tussen een theoloog en zijn dochter én God is er al! Over geloof, cultuur en theologie. Hij onderzoekt aan het Tilburg Cobbenhagen Center (Universiteit van Tilburg) de complexe verschijningsvormen van religiositeit in onze postmoderne samenleving. Zie: www.frankgbosman.nl.

Ik zag haar voor het eerst in een stoffenwinkel in ’s-Hertogenbosch. Ze was mooi, adembenemend zelfs. Ik herkende haar direct en vroeg mij af waarom nooit iemand eerder op dit geweldige idee was gekomen. We kwamen vanaf het station van Oeteldonk, waar wij net prins Amadeiro XXVI feestelijk hadden onthaald voor de jaarlijkse inspectie van zijn ‘pronkjuweel’. Daarvoor hadden we anderhalf uur doorgebracht in de Sint-Janskathedraal aan de Parade voor de jaarlijkse carnavalsmis. Hollandse journalisten vragen mij altijd of zo’n viering ‘een beetje netjes gaat’ of dat alles één grote chaos is. Duidelijk een kwestie van noordelijke onwetendheid: nooit zit een Brabantse kerk voller dan bij de carnavalsmis. De volledige kerk is tot de nok gevuld met in boerenkielen of zwarte herenjasjes gestoken volk dat met een opmerkelijke zelfdiscipline en eerbied de eredienst bijwoont.

Enfin, we liepen naar de Markt in het midden van de met rood-wit-geel versierde binnenstad, al waar binnen enkele uren Boer Knillis, de incarnatie van de Bossche moeraspachter, uit zijn houten sokkel zou opstijgen om het ‘feest der feesten’ officieel te laten losbarsten. En in deze gezellige drukte gingen mijn lief en ik nog snel even een stoffenzaak in, die voor de gelegenheid was omgebouwd tot een Oeteldonks walhalla van kikkersprularia. En daar zag ik haar voor de eerste keer en het was liefde op het eerste gezicht. Daar stond zij, vastgenaaid aan de mouw van een boerenkiel, zonder enige vorm van schaamte: de Zoete Lieve Vrouw van Oeteldonk.


IK VRAOG OE LIEVEN HEER,
DOE NOU US GEK ‘NE KEER.
(DE HENKIES)

De Zoete Lieve Vrouw van Oeteldonk

Elke Bosschenaar herkent de voorstelling onmiddellijk. Het is een carnavaleske variant van het beroemde genadebeeld van de Zoete Lieve Vrouw uit de Sint-Jan. Honderdduizenden kaarsen worden er elk jaar bij haar opgestoken, ontelbare schietgebedjes zijn tot haar gepreveld, niemand die zich niet veilig voelt onder haar grote, door vrijwilligers kunstig geborduurde mantels. En nu trof ik een stoffen variant aan, een embleem, die de Bosschenaren bij de vleet op hun kielen en jassen naaien: elke carnavalsvereniging heeft er eentje, elke jaar een speciaal thema-exemplaar, en menig Bossche familie heeft zelfs een eigen familie-embleem. Het is de zintuiglijkheid die de Brabanders zo kenmerkt: alle zintuigen spreken mee in een koor van een gedeeld leven.

De Zoete Lieve Vrouw met het kind Jezus op de arm en een groot rood hart om haar nek, haar mantel in rood, wit en geel versierd met de op de achtergrond de Oeteldonkse vlag in dezelfde kleuren. Ik wilde haar beminnen en kocht direct een exemplaar, die door mijn lief terplekke liefdevol op mijn mouw werd gespeld. En tijdens het opspelden werd ik ontroerd door de vanzelfsprekende manier waarop het rooms-katholieke geloof een blijvende rol speelt in de Brabantse samenleving. In gedachten hoorden ik De Henkies met hun hit over de ‘Lieven Heer’. Tijdens de intocht van 2013 brulden 10.000 Oeteldonkers en gasten als één man: ‘Ik vraog oe Lieven Heer / doe nou us gek ‘ne keer / en gif ze allemaol / ôk daorbove unne rôôd wit gele sjaol.’

De vanzelfsprekende verbondenheid tussen hemel en aarde, tussen hier op aarde en daar in de hemel, is kenmerkend voor de Brabantse volksmentaliteit. Geloof wordt niet doordacht of bediscussieerd, het is er gewoon. Het flapt er als het ware uit. Zoals in 2003, toen het 121e carnavalsfeest in Oeteldonk werd gevierd. Groot feest uiteraard, want 121 is elf maal elf, en iedereen weet dat carnavalisten een grote liefde koesteren voor dit dwaze getal dat alleen door één en zichzelf te delen valt. In dat jaar brachten vader en dochter Siemons het lied ‘Ooit’ uit en als je ooit een kippenvelmoment hebt tijdens de Drie Dolle Dwaze Dagen dan is ’t als dit lied wordt gespeeld. De feestgangers in de kroeg vallen stil, de kinnen zakken eerbiedig naar beneden, het is even muisstil..


OOIT ZIJN WIJ ALLEN SAMEN,
OOIT DAN STAAN WIJ HAND IN HAND
MET DIE NIET TE TELLEN NAMEN,
BOEREN, BOUWERS, PEER OF MUZIKANT (…)
IK DROOM ALS EEN OETELDONKER
ALLE HANDEN IN ELKAAR
WORDT HET LICHT VOOR EEUWIG DONKER
DAN ZIJN AL DIE MENSEN DAAR

Een indrukwekkende gebeurtenis waarbij hemel en aarde elkaar even lijken te raken, waarin de trotse voorouders hand in hand staan met de harde werkers van de 21e eeuw.

En nee, natuurlijk, niet alle carnavalskrakers zijn stiekeme gebedjes tot de ‘Lieven Heer’. Het is ook veel lol en graag bij het schunnige af. Zo zingen Ferry van de Zaande & Veul Gère over ‘De Gròzzie van Mèn Buurvrouw’, waarbij u moet weten dat een ‘gròzzie’ een ‘garage’ is. En Ferry en Veul zijn in dit lied vooral bezig hun auto ‘derin, deruit’ te doen, in of uit de garage van de buurvrouw wel te verstaan. Andere zangers zijn minder subtiel, of nog minder subtiel. Zo kon het duo Stefan & Sean zich dit jaar, vooral onder de Brabantse jeugd, in grote belangstelling verheugen met hun hit ‘Potentie’ met als tekst: ‘M’n piem is goed gewassen / het smegma is eraf / en ik weet het al weer zeker / er word iemand volgeblaft’. Nee, poëtisch is anders, dat geef ik direct toe. Subtiel is het ook niet.

Daarnaast is de Brabander graag trots en fier op zijn provincie en zijn volkse cultuur. Zeker omdat de Brabander zich, net als de Limburger trouwens, vaak de mindere voelt van de noordelingen – die collectief ‘Hollanders’ worden genoemd, of ze nu uit Friesland of Utrecht komen. Brabanders en Limburgers trekken zich niets aan van het verschil tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur: de Matteüspassie op Goede Vrijdag is hen even heilig als de hoogmis op carnaval, en het ambachtelijk gebrouwen bier smaakt hen evengoed als de door vinologen aangeprezen peperdure Franse wijnen. De Brabander voelt zich echter vaak geregeerd vanuit het verre Den Haag, waar de calvinistische zuinigheid vloekt met het gezellige, bourgondische imago van de twee zuidelijke provincies. Soms komt dat kleine minderwaardigheidscomplex bovendrijven, al is het altijd vol met zelfspot. Dit jaar maakten carnavalsvereniging De Kapotte Kachels furore met het lied ‘Terug Over De Maas’, waarin de Hollandse carnavalsgast vriendelijk verzocht werd een beter heenkomen te zoeken.

Ik zag haar voor het eerst in een stoffenwinkel in ’s-Hertogenbosch. Ze was mooi, adembenemend zelfs. Ik herkende haar direct en vroeg mij af waarom nooit iemand eerder op dit geweldige idee was gekomen. We kwamen vanaf het station van Oeteldonk, waar wij net prins Amadeiro XXVI feestelijk hadden onthaald voor de jaarlijkse inspectie van zijn ‘pronkjuweel’. Daarvoor hadden we anderhalf uur doorgebracht in de Sint-Janskathedraal aan de Parade voor de jaarlijkse carnavalsmis. Hollandse journalisten vragen mij altijd of zo’n viering ‘een beetje netjes gaat’ of dat alles één grote chaos is. Duidelijk een kwestie van noordelijke onwetendheid: nooit zit een Brabantse kerk voller dan bij de carnavalsmis. De volledige kerk is tot de nok gevuld met in boerenkielen of zwarte herenjasjes gestoken volk dat met een opmerkelijke zelfdiscipline en eerbied de eredienst bijwoont.

Enfin, we liepen naar de Markt in het midden van de met rood-wit-geel versierde binnenstad, al waar binnen enkele uren Boer Knillis, de incarnatie van de Bossche moeraspachter, uit zijn houten sokkel zou opstijgen om het ‘feest der feesten’ officieel te laten losbarsten. En in deze gezellige drukte gingen mijn lief en ik nog snel even een stoffenzaak in, die voor de gelegenheid was omgebouwd tot een Oeteldonks walhalla van kikkersprularia. En daar zag ik haar voor de eerste keer en het was liefde op het eerste gezicht. Daar stond zij, vastgenaaid aan de mouw van een boerenkiel, zonder enige vorm van schaamte: de Zoete Lieve Vrouw van Oeteldonk.


IK VRAOG OE LIEVEN HEER,
DOE NOU US GEK ‘NE KEER.
(DE HENKIES)

De Zoete Lieve Vrouw van Oeteldonk

Elke Bosschenaar herkent de voorstelling onmiddellijk. Het is een carnavaleske variant van het beroemde genadebeeld van de Zoete Lieve Vrouw uit de Sint-Jan. Honderdduizenden kaarsen worden er elk jaar bij haar opgestoken, ontelbare schietgebedjes zijn tot haar gepreveld, niemand die zich niet veilig voelt onder haar grote, door vrijwilligers kunstig geborduurde mantels. En nu trof ik een stoffen variant aan, een embleem, die de Bosschenaren bij de vleet op hun kielen en jassen naaien: elke carnavalsvereniging heeft er eentje, elke jaar een speciaal thema-exemplaar, en menig Bossche familie heeft zelfs een eigen familie-embleem. Het is de zintuiglijkheid die de Brabanders zo kenmerkt: alle zintuigen spreken mee in een koor van een gedeeld leven.

De Zoete Lieve Vrouw met het kind Jezus op de arm en een groot rood hart om haar nek, haar mantel in rood, wit en geel versierd met de op de achtergrond de Oeteldonkse vlag in dezelfde kleuren. Ik wilde haar beminnen en kocht direct een exemplaar, die door mijn lief terplekke liefdevol op mijn mouw werd gespeld. En tijdens het opspelden werd ik ontroerd door de vanzelfsprekende manier waarop het rooms-katholieke geloof een blijvende rol speelt in de Brabantse samenleving. In gedachten hoorden ik De Henkies met hun hit over de ‘Lieven Heer’. Tijdens de intocht van 2013 brulden 10.000 Oeteldonkers en gasten als één man: ‘Ik vraog oe Lieven Heer / doe nou us gek ‘ne keer / en gif ze allemaol / ôk daorbove unne rôôd wit gele sjaol.’

De vanzelfsprekende verbondenheid tussen hemel en aarde, tussen hier op aarde en daar in de hemel, is kenmerkend voor de Brabantse volksmentaliteit. Geloof wordt niet doordacht of bediscussieerd, het is er gewoon. Het flapt er als het ware uit. Zoals in 2003, toen het 121e carnavalsfeest in Oeteldonk werd gevierd. Groot feest uiteraard, want 121 is elf maal elf, en iedereen weet dat carnavalisten een grote liefde koesteren voor dit dwaze getal dat alleen door één en zichzelf te delen valt. In dat jaar brachten vader en dochter Siemons het lied ‘Ooit’ uit en als je ooit een kippenvelmoment hebt tijdens de Drie Dolle Dwaze Dagen dan is ’t als dit lied wordt gespeeld. De feestgangers in de kroeg vallen stil, de kinnen zakken eerbiedig naar beneden, het is even muisstil..


OOIT ZIJN WIJ ALLEN SAMEN, OOIT DAN STAAN WIJ HAND IN HAND
MET DIE NIET TE TELLEN NAMEN, BOEREN, BOUWERS, PEER OF MUZIKANT (…)
IK DROOM ALS EEN OETELDONKER ALLE HANDEN IN ELKAAR
WORDT HET LICHT VOOR EEUWIG DONKER DAN ZIJN AL DIE MENSEN DAAR

Een indrukwekkende gebeurtenis waarbij hemel en aarde elkaar even lijken te raken, waarin de trotse voorouders hand in hand staan met de harde werkers van de 21e eeuw.

En nee, natuurlijk, niet alle carnavalskrakers zijn stiekeme gebedjes tot de ‘Lieven Heer’. Het is ook veel lol en graag bij het schunnige af. Zo zingen Ferry van de Zaande & Veul Gère over ‘De Gròzzie van Mèn Buurvrouw’, waarbij u moet weten dat een ‘gròzzie’ een ‘garage’ is. En Ferry en Veul zijn in dit lied vooral bezig hun auto ‘derin, deruit’ te doen, in of uit de garage van de buurvrouw wel te verstaan. Andere zangers zijn minder subtiel, of nog minder subtiel. Zo kon het duo Stefan & Sean zich dit jaar, vooral onder de Brabantse jeugd, in grote belangstelling verheugen met hun hit ‘Potentie’ met als tekst: ‘M’n piem is goed gewassen / het smegma is eraf / en ik weet het al weer zeker / er word iemand volgeblaft’. Nee, poëtisch is anders, dat geef ik direct toe. Subtiel is het ook niet.

Daarnaast is de Brabander graag trots en fier op zijn provincie en zijn volkse cultuur. Zeker omdat de Brabander zich, net als de Limburger trouwens, vaak de mindere voelt van de noordelingen – die collectief ‘Hollanders’ worden genoemd, of ze nu uit Friesland of Utrecht komen. Brabanders en Limburgers trekken zich niets aan van het verschil tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur: de Matteüspassie op Goede Vrijdag is hen even heilig als de hoogmis op carnaval, en het ambachtelijk gebrouwen bier smaakt hen evengoed als de door vinologen aangeprezen peperdure Franse wijnen. De Brabander voelt zich echter vaak geregeerd vanuit het verre Den Haag, waar de calvinistische zuinigheid vloekt met het gezellige, bourgondische imago van de twee zuidelijke provincies. Soms komt dat kleine minderwaardigheidscomplex bovendrijven, al is het altijd vol met zelfspot. Dit jaar maakten carnavalsvereniging De Kapotte Kachels furore met het lied ‘Terug Over De Maas’, waarin de Hollandse carnavalsgast vriendelijk verzocht werd een beter heenkomen te zoeken.


ENNE KEER PER JAAR KOMEN ZE BUITEN DE RING,
AL DIE NOORDELIJKE KWALLEN
IN HUN SQUAD-PAK UIT BEIJING,
HET HELE JAAR DOEN RANDSTADMANNEN
OF WE NIET BESTAAN,
MAAR MET CARNAVAL, DAN PAS MAAR OP,
DAN KOMEN ZE D’R AAN.
DOORGAANS KLINKT EEN ‘ZACHTE G’
VOOR HUN ALS VREEMDE TAAL,
ZE DEGRADEREN ONS DAN DIRECT
TOT PROVINCIAAL,
MAAR DIE DIKNEKKEN DIE MAAKT
HET MET DE CARNAVAL NIKS UIT,
‘T LIEFST S(T)OPPEN ZE VINGERTJES
IN BRABANTS BIER OF FLUIT…

Het refrein vermeldt vervolgens dat de zanger deze arrogante noordelingen persoonlijk ‘terug over de Maas’ zal schoppen, aangezien ze ‘lauwe biertjes tappen en van carnaval niets snappen’. Gelukkig wordt de zuidelijke soep niet zo heet gegeten als ie muzikaal wordt opgediend, en elk jaar verwelkomt het zuiden, tijdens carnaval en daarbuiten, honderdduizenden Nederlandse toeristen die zich tegoed doen aan het prachtige landschap en het ambachtelijk gebrouwen bier.

Toch schetst dat de Brabanders wel goed, vind ik. Warm, vriendelijk, hartelijk, gastvrij, vol met zelfspot, gecombineerd met een vleugje onuitgesproken rooms-katholicisme en een soms opspelend gevoel ‘daarboven’ niet helemaal serieus genomen te worden. Vaak kijken ze verbaasd naar de concertzaalcultuur van de Amsterdamse grachtengordel, waar schoonheid en waarheid door een kleine zelfbenoemde elite van zelfbevlekkers en neusophalers worden gedefinieerd en gereduceerd tot klassieke concerten, hoog-abstracte schilderkunst en onbewoonbare architectuur.

Voor het EO-programma Van Harte maakte ik in 2018-2019 een vijftiental korte reportages. Met een cameraploeg ging ik naar grote en kleine feestjes in heel Nederland. Dus ik ging naar het Joodse Loofhuttenfeest in Almere (lekker dansen), een Dabke-avond in Amersfoort (ook dansen) en naar Ouwe Sunderklaas op Texel (geinig cabaret). Maar vooral toch heul veul naar Brabant en Limburg. En soms was de protestantse redactie een beetje chagrijnig: waarom ik toch altijd naar dat katholieke zuiden ging voor de feestjes. Het antwoord was simpel: daar valt gewoon weg veel meer te vieren.

Dus ging ik naar Oirschot voor de Hubertusviering, naar Oisterwijk om Heel Holland Bakt-jurylid Robert van Beckhoven een kruisje te zien slaan als meneer pastoor de Hubertusbollen kwam zegenen in de bakkerij. Naar Everardus Witte die als ‘Heilig Bruurke’ in heel Megen en omstreken als heilige wordt vereerd. Naar Kesteren waar de Heilige Antonius wordt gevierd en rondgedragen tussen kapel en kroeg. Ja, en naar Limburg natuurlijk, waar ik op Gekke Maondaag (in Grubbevorst) om zes uur ’s ochtends kruidenbittertjes naar binnen stond te werken in gezelschap van een blozend boerenbruidspaar.

Ikzelf ben geboren en getogen Hollander, uit Leidschendam onder de rook van Den Haag. Meer dan twintig jaar geleden kwam ik om priester te worden naar Brabant, maar bleef onderweg plakken vanwege de liefde voor een vrouw, míjn vrouw, en onze twee kinderen. In die tijd heb ik een beetje geleerd wat het is om een Brabander te zijn, maar ik blijf ook vreemd genoeg om die gekkigheid te zien, die subtiliteiten die een Brabander tot een Brabander maken. En vraag mij af in dit essay: wat is dat toch met die Brabanders en hun religie, die stiekem maar onstuitbaar overal doorheen lijkt te sijpelen, tot aan het carnaval toe? Zijn die Brabanders gewoon ongeneeslijk religieus of is het betekenisloos aanhangsel uit een vergane tijd? Welke betekenis heeft kerk en God nog voor hen? Zijn ze gewoon vanzelfsprekend katholiek zonder er veel woorden aan vuil te maken? En vinden de noordelijke calvinisten dat ingewikkeld: gelovig zijn zonder dat steeds heel erg te benadrukken? We gaan op zoek, op zoek naar God in Brabant.


ENNE KEER PER JAAR KOMEN ZE BUITEN DE RING,
AL DIE NOORDELIJKE KWALLEN
IN HUN SQUAD-PAK UIT BEIJING,
HET HELE JAAR DOEN RANDSTADMANNEN
OF WE NIET BESTAAN,
MAAR MET CARNAVAL, DAN PAS MAAR OP,
DAN KOMEN ZE D’R AAN.
DOORGAANS KLINKT EEN ‘ZACHTE G’
VOOR HUN ALS VREEMDE TAAL,
ZE DEGRADEREN ONS DAN DIRECT
TOT PROVINCIAAL,
MAAR DIE DIKNEKKEN DIE MAAKT
HET MET DE CARNAVAL NIKS UIT,
‘T LIEFST S(T)OPPEN ZE VINGERTJES
IN BRABANTS BIER OF FLUIT…

Het refrein vermeldt vervolgens dat de zanger deze arrogante noordelingen persoonlijk ‘terug over de Maas’ zal schoppen, aangezien ze ‘lauwe biertjes tappen en van carnaval niets snappen’. Gelukkig wordt de zuidelijke soep niet zo heet gegeten als ie muzikaal wordt opgediend, en elk jaar verwelkomt het zuiden, tijdens carnaval en daarbuiten, honderdduizenden Nederlandse toeristen die zich tegoed doen aan het prachtige landschap en het ambachtelijk gebrouwen bier.

Toch schetst dat de Brabanders wel goed, vind ik. Warm, vriendelijk, hartelijk, gastvrij, vol met zelfspot, gecombineerd met een vleugje onuitgesproken rooms-katholicisme en een soms opspelend gevoel ‘daarboven’ niet helemaal serieus genomen te worden. Vaak kijken ze verbaasd naar de concertzaalcultuur van de Amsterdamse grachtengordel, waar schoonheid en waarheid door een kleine zelfbenoemde elite van zelfbevlekkers en neusophalers worden gedefinieerd en gereduceerd tot klassieke concerten, hoog-abstracte schilderkunst en onbewoonbare architectuur.

Voor het EO-programma Van Harte maakte ik in 2018-2019 een vijftiental korte reportages. Met een cameraploeg ging ik naar grote en kleine feestjes in heel Nederland. Dus ik ging naar het Joodse Loofhuttenfeest in Almere (lekker dansen), een Dabke-avond in Amersfoort (ook dansen) en naar Ouwe Sunderklaas op Texel (geinig cabaret). Maar vooral toch heul veul naar Brabant en Limburg. En soms was de protestantse redactie een beetje chagrijnig: waarom ik toch altijd naar dat katholieke zuiden ging voor de feestjes. Het antwoord was simpel: daar valt gewoon weg veel meer te vieren.

Dus ging ik naar Oirschot voor de Hubertusviering, naar Oisterwijk om Heel Holland Bakt-jurylid Robert van Beckhoven een kruisje te zien slaan als meneer pastoor de Hubertusbollen kwam zegenen in de bakkerij. Naar Everardus Witte die als ‘Heilig Bruurke’ in heel Megen en omstreken als heilige wordt vereerd. Naar Kesteren waar de Heilige Antonius wordt gevierd en rondgedragen tussen kapel en kroeg. Ja, en naar Limburg natuurlijk, waar ik op Gekke Maondaag (in Grubbevorst) om zes uur ’s ochtends kruidenbittertjes naar binnen stond te werken in gezelschap van een blozend boerenbruidspaar.

Ikzelf ben geboren en getogen Hollander, uit Leidschendam onder de rook van Den Haag. Meer dan twintig jaar geleden kwam ik om priester te worden naar Brabant, maar bleef onderweg plakken vanwege de liefde voor een vrouw, míjn vrouw, en onze twee kinderen. In die tijd heb ik een beetje geleerd wat het is om een Brabander te zijn, maar ik blijf ook vreemd genoeg om die gekkigheid te zien, die subtiliteiten die een Brabander tot een Brabander maken. En vraag mij af in dit essay: wat is dat toch met die Brabanders en hun religie, die stiekem maar onstuitbaar overal doorheen lijkt te sijpelen, tot aan het carnaval toe? Zijn die Brabanders gewoon ongeneeslijk religieus of is het betekenisloos aanhangsel uit een vergane tijd? Welke betekenis heeft kerk en God nog voor hen? Zijn ze gewoon vanzelfsprekend katholiek zonder er veel woorden aan vuil te maken? En vinden de noordelijke calvinisten dat ingewikkeld: gelovig zijn zonder dat steeds heel erg te benadrukken? We gaan op zoek, op zoek naar God in Brabant.


ZEG JE IN NEDERLAND:
IK GELOOF OOK NOG IN GOD,
DAN WORD JE WEGGEHOOND.
(BEATRICE DE GRAAF)

Hoe God uit Brabant verdween (maar niet heus)

Wie de sociologische rapporten van de afgelopen periode een beetje bijhoudt, krijgt niet een al te positief idee over kerk en religie in Nederland. En hoewel de provincie Brabant, net als Limburg trouwens, een beetje achteraan in de statistieken bengelt, is het voor het Rijke Roomse Leven ook in het zuiden van Nederland al decennia echt ‘over en sluiten’. Wie de onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het Kaski en het Nederlands Bijbelgenootschap uit de periode 2006-2018 erop naslaat, ziet alleen maar dalende trends: minder kerkgangers, minder gelovigen, en zelfs minder ‘spiritueel ongebondenen’. Deze laatste categorie ‘dalers’ verrasten vriend en vijand nogal, aangezien veel onderzoekers meenden dat religie zich eenvoudigweg verplaatste vanuit het traditionele kerkgebouw naar de meer individualistische yogamat en Boeddhaaltaartjes.

Uit cijfers van het SCP bleek in 2018 dat meer dan 50% van de Nederlanders zich niet meer tot een religieuze ‘gezindheid’ rekenen, een nogal archaïsch klinkend woord voor religieuze zelfidentificatie. Van wie zichzelf wél tot een religieuze stroming rekent, zijn de katholieken de grootste groep met 24%, gevolgd door verschillende protestantse denominaties. 78% geeft aan zelden tot nooit naar een religieuze dienst te gaan. Vrouwen zijn over het algemeen meer religieus angehaucht dan mannen, terwijl hogeropgeleiden zich juist minder lijken in te laten met het religieuze domein. Trouwe katholieken en andere gelovigen proberen elkaar na de steeds schaarser bezochte kerkdiensten op te monteren: ‘We hebben nu de bodem wel bereikt, het kan nu niet veel erger meer worden.’ Maar de realiteit lijkt elk religieus optimisme in te halen. Het blijkt elk jaar nog steeds een stukje erger te kunnen.

Brabant is desondanks, samen met Limburg, nog steeds de meest katholieke provincie van Nederland (respectievelijk 49,6 en 66,6% in 2014), maar niettemin is ook hier de kerkelijkheid afgenomen met 38 en 25%. Intrigerend genoeg gaan in Brabant en Limburg, waar de meeste mensen zich als religieus (rooms-katholiek) identificeren, de mensen het minst vaak naar de kerk. Brabant en Limburg moeten alleen Noord-Holland laten voorgaan, daar gaat maar 11,1 % der gelovigen daadwerkelijk regelmatig naar de kerk, terwijl het zuiden genoegen moet nemen met 11,7 en 14,5%. Wel geloven, maar niet naar de kerk.

Een pessimistische blik vanuit het calvinistische noorden zou zo maar uit deze cijfers kunnen concluderen dat de Brabanders niet echt religieus zijn omdat ze daar nu zo veel waarde aan hechten, maar uit een soort gewoonte, waar niemand ooit serieus over nadenkt. De protestantse traditie, zo wil het cliché, is van oudsher een cognitief geloof waarvoor de individuele gelovige een bewuste keus dient te maken. Het rooms-katholicisme daartegenover zou meer draaien om emoties en een algemeen gevoel van het vanzelfsprekend behoren tot een bepaalde bevolkingsgroep met bijbehorende collectieve, deels religieuze, identiteit. In het kort: protestanten zijn keuzegelovigen, rooms-katholieken gewoontegelovigen. Noordelingen spreken en denken over hun geloof – en menen het vervolgens verloren te hebben – terwijl de zuiderling met al zijn zintuigen zijn geloof leeft – en het daarmee ongemerkt behoudt.

De vraag is echter of deze clichés aan het begin van de 21e eeuw in Nederland nog steek houden. Nederland is in de afgelopen decennia in rap tempo veranderd. De samenleving is definitief ontzuild, op enkele sterk confessioneel geladen organisaties zoals de Evangelische Omroep of de ChristenUnie na. Nederland is seculier geworden en niet weinig intellectuelen, beleids- en opiniemakers en politici voelen zich heel wat meer comfortabel als religie ‘achter de voordeur’ zou kunnen blijven, ver weg van het publieke domein of de maatschappelijke discussie. Dikwijls wordt dan gezwaaid met de gevierde scheiding van kerk en staat die de Nederlandse samenleving kenmerkt, maar die helaas niet altijd goed begrepen wordt door de seculiere elite. Te vaak wordt deze nuttige scheiding uitgelegd als een totale waterscheiding tussen het politieke en religieuze domein, terwijl de regeling vooral wil voorkomen dat de overheid haar burgers, positief of negatief, gaat discrimineren op basis van zijn of haar geloofsovertuiging, of het ontbreken ervan.

Niettemin is Nederland niet alleen in rap tempo geseculariseerd, maar onze samenleving is ook sterk geïndividualiseerd en vooral gedeïnstitutionaliseerd. Dat laatste wil zeggen dat postmoderne Nederlanders zich er hoe langer hoe minder koosjer bij voelen om langere tijd bij één en dezelfde organisatie, club of instituut te behoren. Laat staan, zoals vroeger, van de wieg tot het graf. Kerken, politieke partijen, omroepverenigingen, vakbonden, vrijwilligersorganisaties: ze hebben allemaal de grootste moeite om mensen langere tijd aan zich te binden. De postmoderne mens trekt uit die instituten weg naar een individualistisch niemandsland.

Deze sociologische trends van ontzuiling, individualisatie, secularisatie en deïnstitutionalisatie zijn elkaars oorzaak en gevolg, zonder dat ze tot elkaar gereduceerd kunnen worden. Zulke bewegingen vinden overal in West-Europa plaats, zij dat Nederland, samen met de Scandinavische landen, hierin voorop loopt. Toch moeten we niet vergeten dat in de overgrote rest van de wereld religie de normaalste zaak van de wereld is. Hoewel we in Nederland en West-Europa geneigd zijn te denken dat wij het vanzelfsprekende middelpunt van de wereld zijn en dat alles noodzakelijkerwijs gaat verlopen zoals dat bij ons gegaan is, is er in werkelijkheid sprake van een ‘seculier experiment’ in onze contreien, waarvan we de afloop nog niet met zekerheid kunnen voorspellen. Bovendien valt op dat de Verenigde Staten van Amerika wel tot het Westen gerekend worden, maar dat de secularisatie en deïnstitutionalisatie daar veel langzamer lijkt te verlopen dan in het oude Europa.

Een van de redenen hiervoor zou kunnen zijn dat Europa na de Tweede Wereldoorlog veel geïnvesteerd heeft in het optuigen van de seculiere gezondheids- en verzorgingsstaat, een sociaal vangnet dat de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag ontberen. De secularisatie van West-Europa lijkt gelijke voet te hebben gehouden met het opbouwen van de verzorgingsstaat. De interessante, maar nu niet te beantwoorden vraag is natuurlijk wat er met de (georganiseerde) religie in onze contreien gaat gebeuren, nu de scheuren in de collectieve verzorgingsstaat zichtbaar worden. Hoewel politici en beleidsmakers deze gaten proberen te verdoezelen onder het mom van lege begrippen als ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatiesamenleving’.


ZEG JE IN NEDERLAND:
IK GELOOF OOK NOG IN GOD,
DAN WORD JE WEGGEHOOND.
(BEATRICE DE GRAAF)

Hoe God uit Brabant verdween (maar niet heus)

Wie de sociologische rapporten van de afgelopen periode een beetje bijhoudt, krijgt niet een al te positief idee over kerk en religie in Nederland. En hoewel de provincie Brabant, net als Limburg trouwens, een beetje achteraan in de statistieken bengelt, is het voor het Rijke Roomse Leven ook in het zuiden van Nederland al decennia echt ‘over en sluiten’. Wie de onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het Kaski en het Nederlands Bijbelgenootschap uit de periode 2006-2018 erop naslaat, ziet alleen maar dalende trends: minder kerkgangers, minder gelovigen, en zelfs minder ‘spiritueel ongebondenen’. Deze laatste categorie ‘dalers’ verrasten vriend en vijand nogal, aangezien veel onderzoekers meenden dat religie zich eenvoudigweg verplaatste vanuit het traditionele kerkgebouw naar de meer individualistische yogamat en Boeddhaaltaartjes.

Uit cijfers van het SCP bleek in 2018 dat meer dan 50% van de Nederlanders zich niet meer tot een religieuze ‘gezindheid’ rekenen, een nogal archaïsch klinkend woord voor religieuze zelfidentificatie. Van wie zichzelf wél tot een religieuze stroming rekent, zijn de katholieken de grootste groep met 24%, gevolgd door verschillende protestantse denominaties. 78% geeft aan zelden tot nooit naar een religieuze dienst te gaan. Vrouwen zijn over het algemeen meer religieus angehaucht dan mannen, terwijl hogeropgeleiden zich juist minder lijken in te laten met het religieuze domein. Trouwe katholieken en andere gelovigen proberen elkaar na de steeds schaarser bezochte kerkdiensten op te monteren: ‘We hebben nu de bodem wel bereikt, het kan nu niet veel erger meer worden.’ Maar de realiteit lijkt elk religieus optimisme in te halen. Het blijkt elk jaar nog steeds een stukje erger te kunnen.

Brabant is desondanks, samen met Limburg, nog steeds de meest katholieke provincie van Nederland (respectievelijk 49,6 en 66,6% in 2014), maar niettemin is ook hier de kerkelijkheid afgenomen met 38 en 25%. Intrigerend genoeg gaan in Brabant en Limburg, waar de meeste mensen zich als religieus (rooms-katholiek) identificeren, de mensen het minst vaak naar de kerk. Brabant en Limburg moeten alleen Noord-Holland laten voorgaan, daar gaat maar 11,1 % der gelovigen daadwerkelijk regelmatig naar de kerk, terwijl het zuiden genoegen moet nemen met 11,7 en 14,5%. Wel geloven, maar niet naar de kerk.

Een pessimistische blik vanuit het calvinistische noorden zou zo maar uit deze cijfers kunnen concluderen dat de Brabanders niet echt religieus zijn omdat ze daar nu zo veel waarde aan hechten, maar uit een soort gewoonte, waar niemand ooit serieus over nadenkt. De protestantse traditie, zo wil het cliché, is van oudsher een cognitief geloof waarvoor de individuele gelovige een bewuste keus dient te maken. Het rooms-katholicisme daartegenover zou meer draaien om emoties en een algemeen gevoel van het vanzelfsprekend behoren tot een bepaalde bevolkingsgroep met bijbehorende collectieve, deels religieuze, identiteit. In het kort: protestanten zijn keuzegelovigen, rooms-katholieken gewoontegelovigen. Noordelingen spreken en denken over hun geloof – en menen het vervolgens verloren te hebben – terwijl de zuiderling met al zijn zintuigen zijn geloof leeft – en het daarmee ongemerkt behoudt.

De vraag is echter of deze clichés aan het begin van de 21e eeuw in Nederland nog steek houden. Nederland is in de afgelopen decennia in rap tempo veranderd. De samenleving is definitief ontzuild, op enkele sterk confessioneel geladen organisaties zoals de Evangelische Omroep of de ChristenUnie na. Nederland is seculier geworden en niet weinig intellectuelen, beleids- en opiniemakers en politici voelen zich heel wat meer comfortabel als religie ‘achter de voordeur’ zou kunnen blijven, ver weg van het publieke domein of de maatschappelijke discussie. Dikwijls wordt dan gezwaaid met de gevierde scheiding van kerk en staat die de Nederlandse samenleving kenmerkt, maar die helaas niet altijd goed begrepen wordt door de seculiere elite. Te vaak wordt deze nuttige scheiding uitgelegd als een totale waterscheiding tussen het politieke en religieuze domein, terwijl de regeling vooral wil voorkomen dat de overheid haar burgers, positief of negatief, gaat discrimineren op basis van zijn of haar geloofsovertuiging, of het ontbreken ervan.

Niettemin is Nederland niet alleen in rap tempo geseculariseerd, maar onze samenleving is ook sterk geïndividualiseerd en vooral gedeïnstitutionaliseerd. Dat laatste wil zeggen dat postmoderne Nederlanders zich er hoe langer hoe minder koosjer bij voelen om langere tijd bij één en dezelfde organisatie, club of instituut te behoren. Laat staan, zoals vroeger, van de wieg tot het graf. Kerken, politieke partijen, omroepverenigingen, vakbonden, vrijwilligersorganisaties: ze hebben allemaal de grootste moeite om mensen langere tijd aan zich te binden. De postmoderne mens trekt uit die instituten weg naar een individualistisch niemandsland.

Deze sociologische trends van ontzuiling, individualisatie, secularisatie en deïnstitutionalisatie zijn elkaars oorzaak en gevolg, zonder dat ze tot elkaar gereduceerd kunnen worden. Zulke bewegingen vinden overal in West-Europa plaats, zij dat Nederland, samen met de Scandinavische landen, hierin voorop loopt. Toch moeten we niet vergeten dat in de overgrote rest van de wereld religie de normaalste zaak van de wereld is. Hoewel we in Nederland en West-Europa geneigd zijn te denken dat wij het vanzelfsprekende middelpunt van de wereld zijn en dat alles noodzakelijkerwijs gaat verlopen zoals dat bij ons gegaan is, is er in werkelijkheid sprake van een ‘seculier experiment’ in onze contreien, waarvan we de afloop nog niet met zekerheid kunnen voorspellen. Bovendien valt op dat de Verenigde Staten van Amerika wel tot het Westen gerekend worden, maar dat de secularisatie en deïnstitutionalisatie daar veel langzamer lijkt te verlopen dan in het oude Europa.

Een van de redenen hiervoor zou kunnen zijn dat Europa na de Tweede Wereldoorlog veel geïnvesteerd heeft in het optuigen van de seculiere gezondheids- en verzorgingsstaat, een sociaal vangnet dat de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag ontberen. De secularisatie van West-Europa lijkt gelijke voet te hebben gehouden met het opbouwen van de verzorgingsstaat. De interessante, maar nu niet te beantwoorden vraag is natuurlijk wat er met de (georganiseerde) religie in onze contreien gaat gebeuren, nu de scheuren in de collectieve verzorgingsstaat zichtbaar worden. Hoewel politici en beleidsmakers deze gaten proberen te verdoezelen onder het mom van lege begrippen als ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatiesamenleving’.


WIJ ZIJN GEMAAKT OM TE MAKEN.
(PRAXIS-RECLAME)

Religie incognito: anders dan anders

Terug naar de vraag: is het nu eigenlijk over en uit met religie in Nederland? En, in het verlengde ervan, is de ‘katholiciteit’ van de Brabander nog slechts een vage echo van een allang achterhaald verleden? Ik denk het niet, hoewel de sociologische rapporten wel die kant lijken op te wijzen. Volgens mij laten de rapporten vooral zien dat Nederlanders in toenemende mate niet alleen het kerkgebouw links laten liggen, maar ook zich steeds minder willen identificeren met klassieke labels als ‘kerkelijk’, ‘gelovig’ en ‘religieus’. Zelfs de algemene term ‘spiritualiteit’ heeft aan populariteit ingeboet. De schandalen rond het seksueel misbruik in pastorale relaties, een crisis die de rooms-katholieke kerk in binnen- en buitenland al meer dan tien jaar teistert, maken een positieve zelfidentificatie als gelovig of kerkelijk, ook in de Brabantse context, beduidend moeilijker.

Wie echter naar onze samenleving kijkt, ziet religie overal en nergens opduiken. En dan heb ik het niet eens over gereformeerde megakerken in het noorden of moskeeën die overal en nergens opduiken. Nee, op een veel dieper niveau zijn mensen nu eenmaal ongeneeslijk religieus. God is niet verdwenen, noch uit Jorwerd – zoals Geert Mak in 1996 beweerde – noch uit Den Bosch of Helmond, zoals de rekenmeesters van het CBS en het SCP beweren. God heeft zich vermomd, en slechts weinigen herkennen Hem nog in zijn doldwaze kostuums, alsof het voor de hemel alle dagen carnaval is.

Als cultuurtheoloog kijk ik al meer dan 15 jaar naar onze postmoderne, postchristelijke samenleving, naar de boeken die we schrijven, de popsongs die we luisteren via Spotify, de videoclips die we bekijken via YouTube, de films en series die we streamen via Netflix en Videoland, en de videogames die we via Steam of Uplay op onze computers spelen. En in die boeken, liedjes, clips, series, films en games zie ik de blijvende invloed en relevantie van onze collectieve christelijke cultuur opduiken.

Ik denk aan de Samsung-reclame waarin een Jan-met-de-pet op een detox wordt gezet teneinde zijn leven te kunnen switchen. Hoewel de reclame vooral bedoeld lijkt om nieuwe mobiele telefoons te verkopen, zijn de gebruikte taal en de beelden onmiskenbaar christelijk van karakter, inclusief een doopscène met volledige onderdompeling. Denk aan de Praxis-reclame die het oude verhaal uit Genesis echoot, waarin God de mens maakt naar Zijn beeld en gelijkenis:

We zijn gemaakt om te creëren. Om wat stuk is, heel te maken. Om wat niet af is, mooi te maken. Om alles wat we bedenken, uit te voeren. Wij zijn immers gemaakt om te maken.

Maar denk ook aan de immens populaire Harry Potter-franchise. Harry’s geestelijke moeder, Joanne Rowling, merkte in 2007 op – nota bene in een interview met een Nederlandse krant (Trouw) – dat de kern van haar creatie te vinden is in twee grafschriften uit het zevende en laatste deel, De relieken des doods. Op het eerste graf, van Harry’s ouders James en Lily, staat: “De laatste vijand die teniet gedaan moet worden, is de dood.” Het is een rechtstreeks citaat uit de eerste brief aan de Korintiërs (15, 26), waarin Paulus schrijft over de opstanding van Jezus uit de doden.

Op het tweede graf, dat van de moeder en zus van Albertus Perkamentus, staat te lezen: “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.” Dit is ook een rechtstreeks citaat, nu uit Jezus’ beroemde Bergrede uit het Matteüsevangelie (6, 21). Jezus houdt de menigte voor dat je niet God én de mammon kan dienen, omdat je de een zult haten en de ander liefhebben. Zo is het ook met Harry, hij kan niet én het licht én de duisternis dienen. Hij moet, zoals elke mens, een keuze maken die vergaande consequenties heeft.

De voorbeelden zijn legio. Overal en nergens kom je verwijzingen tegen naar religie, vooral in zijn christelijke vorm. Dat laatste is natuurlijk niet verbazingwekkend, aangezien West-Europa zo’n 1600 jaar onder de culturele invloed van het christendom heeft gestaan, een erfenis die je niet zomaar kan uitschakelen als het eerste het beste schemerlampje. Natuurlijk, ook de invloed van de Grieken en Romeinen is terug te vinden, naast de invloed van de noordse mythologie en in toenemende mate van meer ‘exotische’ tradities als boeddhisme en islam.

Mensen zijn ongeneeslijk religieus, zoals verschillende theologen al eerder hebben opgemerkt. Mensen zijn nu eenmaal mensen. Dat wil zeggen dat ze bewust of onbewust op zoek zijn naar antwoorden op de meest universele, existentiële vragen over het menselijk bestaan: wie ben ik? En #wtf kom ik hier doen? Al zolang de mens naar de sterren kijkt, vragen we ons af wat de rhyme & reason is van ons leven op deze planeet. En religie is een van de alleroudste antwoorden op die diepste van alle menselijke vragen.

Is er dan helemaal niets aan de hand? Jawel. Door de processen van deïnstitutionalisatie, secularisatie en individualisatie ontstaat het verschijnsel dat ik ‘religieuze deverbalisatie’ noem: het toenemende onvermogen van de moderne, West-Europese mens om – letterlijk in dit geval – woorden te geven aan zijn of haar existentiële zoektocht. We willen wel, maar we zijn het aan het vergeten. We vergeten collectief langzaam maar zeker ons verleden, waardoor onze eigen geschiedenis steeds onbegrijpelijker wordt. Religie is overal om ons heen, maar er zijn steeds minder mensen die haar nog herkennen.

OOIT ZIJN WIJ ALLEN SAMEN,
OOIT DAN STAAN WIJ HAND IN HAND.
(AD EN CAROLINE SIEMONS)

Wie met deze ogen naar de Brabanders kijkt, begint iets te begrijpen van die vanzelfsprekende nabijheid van het oude rooms-katholieke geloof dat hen zo lijkt te kenmerken. Wie de Brabander in zijn culturele eigenheid wil begrijpen, moet diens religieuze erfenis serieus nemen. Wie echter deze Brabantse affiniteit van het katholicisme afdoet als ‘louter cultuur’ of een ‘relict’ van een definitief verloren verleden, maakt zich niet alleen schuldig aan de beroemde noordelijke arrogantie waartegen de Brabanders zich zo spottend en liefdevol verzetten, maar begrijpt ook niet onder welke vermomming zijn eigen religieuze gevoeligheid verstopt is geraakt. De Brabander ‘denkt’ geen geloof, maar ‘doet’ geloof. Door de specifieke cultureel-historische ontwikkeling en de sociologische (eigen)aardigheden van zijn provincie is de typische Brabander wellicht te kwalificeren als nog relatief gevoelig voor de religieuze dimensie van het menselijk bestaan. Hoewel de religieuze deverbalisatie ook deze provincie niet voorbij is gegaan, is het besef te leven in een groter verband dat het hier en nu overstijgt, nog levend en wel.

De gastvrijheid, de vanzelfsprekende aanwezigheid van eten en drinken, de gezelligheid waar de provincie om bekend staat: het zijn – binnen de rooms-katholieke traditie – stuk voor stuk concrete uitingen van Gods liefde voor de mensen en voor de mensen onderling. Gezelligheid is geen kneuterig koekje-bij-de-koffie, maar een vermomming voor het idee van het sacramentum mundi, het idee dat de wereld, begrepen als geschapen wereld, een groot vehikel is voor het archaïsche maar kostbare begrip dat christenen ‘genade’ noemen. Een bekende Latijnse uitdrukking binnen de theologie helpt het woord te verstaan: gratia gratis datur, ‘de genade wordt gratis gegeven’. Het is dat element van gratuïteit, dat we ook kennen onder termen als van om-niet of van pro Deo, dat niet alleen kenmerkend is voor de Brabantse religiositeit in directe zin, maar het geeft tevens de diepte ervan weer.

Wie de wereld begrijpt, bewust of onbewust, als een gegeven wereld, ervaart het leven in die wereld ook daadwerkelijk als een geschenk. Voor de meer expliciet gelovige betekent dit de erkenning van een transcendente schepper, aan wie iedereen het bestaan te danken heeft. Voor de meer seculier aangelegde medemens betekent dit het diepe besef dat we ons leven van elkaar krijgen, zoals we dat van de ander mogelijk maken. We krijgen elkaar van elkaar, van al die mensen – docenten, familie, vrienden, collega’s, levend onder ons of reeds gestorven – die ons gemaakt hebben tot de mens die wij zijn. We geven elkaar, onszelf aan de ander, zoals wij onszelf van de ander ontvangen, elke dag opnieuw. De wereld is goed – ‘en God zag dat het goed was’, zo klinkt in het eerste hoofdstuk van Genesis – en het besef ervan is kostbaar.

Wie probeert de wereld te zien in termen van ‘maakbaarheid’ – en daarmee voorbij gaat aan dat gegeven karakter van ons menselijk bestaan – valt in een dubbele kuil. Eerst denkt hij zijn leven te kunnen regisseren naar het adagium van het postmoderne autonome individu: zelf alles regelen, zelf de eigen grenzen en ambities bepalen, de wereld boetserend naar eigen beeld en gelijkenis. Maar als het leven zich halsstarrig weet te verzetten tegen deze intellectuele hoogmoed – en dat doet zij door zonder aanziens des persoons rond te strooien met verdriet, afscheid, scheiding, ziekte, eenzaamheid, dood – dan lijdt hij daarbovenop met het gevoel te hebben gefaald. Werkeloosheid, eenzaamheid, scheiding – het zijn keuzes. Die je ook niet had kunnen maken, zo luidt dan het (eigen)verwijt. Wie echter het leven ‘ontvangt’, kijkt met mildheid naar het falen van anderen en zichzelf. en ziet de toevalligheden van het leven als een avontuurlijk geschenk, dat gevierd en vervloekt mag worden, maar nooit teruggegeven kan worden.

Wie met deze ‘gelovige’ ogen naar de Brabanders en hun culturele (eigen)aardigheden kijkt, met hun liefde voor carnaval en andere feesten, met hun bijna achteloze liefde voor wat andere twijfelend als ‘het hogere’ definiëren, ziet een vreemd volkje dat op een diep, onuitgesproken niveau begrijpt dat gezelligheid en hartelijkheid de enige juiste reactie zijn op het besef dat het leven een geschenk is, genade, of die nu van elkaar of van God komt. En zo is ook de Brabantse cultuur: het totaal van samenlevende mensen die vertrouwend op elkaar en zichzelf, zich tastend, feestend en rouwend door het leven slaan, daarin voortdurend gesteund door de schoonheid en de waarheid van wat uit hun handen komt: soms heilig en soms demonisch, soms hemelbestormend in schoonheid – maar even vaak ook ontnuchterend met een vrolijke platheid die het leven uiteindelijk dragelijk maakt.

En met de Zoete Lieve Vrouw van Oeteldonk op mijn kiel bid ik met de duizenden Brabanders mee: ‘Ik vraog oe Lieven Heer / doe nou us gek ‘ne keer / en gif ze allemaol / ôk daorbove unne rôôd wit gele sjaol.’


WIJ ZIJN GEMAAKT OM TE MAKEN.
(PRAXIS-RECLAME)

Wie met deze ogen naar de Brabanders kijkt, begint iets te begrijpen van die vanzelfsprekende nabijheid van het oude rooms-katholieke geloof dat hen zo lijkt te kenmerken. Wie de Brabander in zijn culturele eigenheid wil begrijpen, moet diens religieuze erfenis serieus nemen. Wie echter deze Brabantse affiniteit van het katholicisme afdoet als ‘louter cultuur’ of een ‘relict’ van een definitief verloren verleden, maakt zich niet alleen schuldig aan de beroemde noordelijke arrogantie waartegen de Brabanders zich zo spottend en liefdevol verzetten, maar begrijpt ook niet onder welke vermomming zijn eigen religieuze gevoeligheid verstopt is geraakt. De Brabander ‘denkt’ geen geloof, maar ‘doet’ geloof. Door de specifieke cultureel-historische ontwikkeling en de sociologische (eigen)aardigheden van zijn provincie is de typische Brabander wellicht te kwalificeren als nog relatief gevoelig voor de religieuze dimensie van het menselijk bestaan. Hoewel de religieuze deverbalisatie ook deze provincie niet voorbij is gegaan, is het besef te leven in een groter verband dat het hier en nu overstijgt, nog levend en wel.

De gastvrijheid, de vanzelfsprekende aanwezigheid van eten en drinken, de gezelligheid waar de provincie om bekend staat: het zijn – binnen de rooms-katholieke traditie – stuk voor stuk concrete uitingen van Gods liefde voor de mensen en voor de mensen onderling. Gezelligheid is geen kneuterig koekje-bij-de-koffie, maar een vermomming voor het idee van het sacramentum mundi, het idee dat de wereld, begrepen als geschapen wereld, een groot vehikel is voor het archaïsche maar kostbare begrip dat christenen ‘genade’ noemen. Een bekende Latijnse uitdrukking binnen de theologie helpt het woord te verstaan: gratia gratis datur, ‘de genade wordt gratis gegeven’. Het is dat element van gratuïteit, dat we ook kennen onder termen als van om-niet of van pro Deo, dat niet alleen kenmerkend is voor de Brabantse religiositeit in directe zin, maar het geeft tevens de diepte ervan weer.

Wie de wereld begrijpt, bewust of onbewust, als een gegeven wereld, ervaart het leven in die wereld ook daadwerkelijk als een geschenk. Voor de meer expliciet gelovige betekent dit de erkenning van een transcendente schepper, aan wie iedereen het bestaan te danken heeft. Voor de meer seculier aangelegde medemens betekent dit het diepe besef dat we ons leven van elkaar krijgen, zoals we dat van de ander mogelijk maken. We krijgen elkaar van elkaar, van al die mensen – docenten, familie, vrienden, collega’s, levend onder ons of reeds gestorven – die ons gemaakt hebben tot de mens die wij zijn. We geven elkaar, onszelf aan de ander, zoals wij onszelf van de ander ontvangen, elke dag opnieuw. De wereld is goed – ‘en God zag dat het goed was’, zo klinkt in het eerste hoofdstuk van Genesis – en het besef ervan is kostbaar.

Wie probeert de wereld te zien in termen van ‘maakbaarheid’ – en daarmee voorbij gaat aan dat gegeven karakter van ons menselijk bestaan – valt in een dubbele kuil. Eerst denkt hij zijn leven te kunnen regisseren naar het adagium van het postmoderne autonome individu: zelf alles regelen, zelf de eigen grenzen en ambities bepalen, de wereld boetserend naar eigen beeld en gelijkenis. Maar als het leven zich halsstarrig weet te verzetten tegen deze intellectuele hoogmoed – en dat doet zij door zonder aanziens des persoons rond te strooien met verdriet, afscheid, scheiding, ziekte, eenzaamheid, dood – dan lijdt hij daarbovenop met het gevoel te hebben gefaald. Werkeloosheid, eenzaamheid, scheiding – het zijn keuzes. Die je ook niet had kunnen maken, zo luidt dan het (eigen)verwijt. Wie echter het leven ‘ontvangt’, kijkt met mildheid naar het falen van anderen en zichzelf. en ziet de toevalligheden van het leven als een avontuurlijk geschenk, dat gevierd en vervloekt mag worden, maar nooit teruggegeven kan worden.

Wie met deze ‘gelovige’ ogen naar de Brabanders en hun culturele (eigen)aardigheden kijkt, met hun liefde voor carnaval en andere feesten, met hun bijna achteloze liefde voor wat andere twijfelend als ‘het hogere’ definiëren, ziet een vreemd volkje dat op een diep, onuitgesproken niveau begrijpt dat gezelligheid en hartelijkheid de enige juiste reactie zijn op het besef dat het leven een geschenk is, genade, of die nu van elkaar of van God komt. En zo is ook de Brabantse cultuur: het totaal van samenlevende mensen die vertrouwend op elkaar en zichzelf, zich tastend, feestend en rouwend door het leven slaan, daarin voortdurend gesteund door de schoonheid en de waarheid van wat uit hun handen komt: soms heilig en soms demonisch, soms hemelbestormend in schoonheid – maar even vaak ook ontnuchterend met een vrolijke platheid die het leven uiteindelijk dragelijk maakt.

En met de Zoete Lieve Vrouw van Oeteldonk op mijn kiel bid ik met de duizenden Brabanders mee: ‘Ik vraog oe Lieven Heer / doe nou us gek ‘ne keer / en gif ze allemaol / ôk daorbove unne rôôd wit gele sjaol.’

Top