Scroll to top
Koen van Eijck & Mark van Ostaijen over:

Kunst en cultuur in Brabant (en daarbuiten)

Koen van Eijck & Mark van Ostaijen over:

Kunst en cultuur in Brabant (en daarbuiten)

KOEN VAN EIJCK is hoogleraar Kunst en Cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit en bestuurslid van het Erasmus Research Centre for Media, Communication and Culture (ERMeCC). Zijn onderzoek richt zich op onder meer sociale ongelijkheid in culturele participatie, smaakpatronen en trends in vrijetijdsgedrag, mediagebruik, talentontwikkeling, en kunstperceptie en -waardering, met een focus op zowel muziek als beeldende kunst.

MARK VAN OSTAIJEN , als bestuurssocioloog verbonden aan Tilburg University, publiceert academische en populairwetenschappelijke artikelen op het gebied van migratie, populisme, lokaal bestuur en stedelijke politiek. In zijn recente boek Wij zijn ons. Een kleine sociologie van grote denkers behandelt hij alledaagse thema’s als Zwarte Piet, voetbal en carnaval in het licht van klassiek sociologische inzichten.

KOEN VAN EIJCK is hoogleraar Kunst en Cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit en bestuurslid van het Erasmus Research Centre for Media, Communication and Culture (ERMeCC). Zijn onderzoek richt zich op onder meer sociale ongelijkheid in culturele participatie, smaakpatronen en trends in vrijetijdsgedrag, mediagebruik, talentontwikkeling, en kunstperceptie en -waardering, met een focus op zowel muziek als beeldende kunst.

MARK VAN OSTAIJEN , als bestuurssocioloog verbonden aan Tilburg University, publiceert academische en populairwetenschappelijke artikelen op het gebied van migratie, populisme, lokaal bestuur en stedelijke politiek. In zijn recente boek Wij zijn ons. Een kleine sociologie van grote denkers behandelt hij alledaagse thema’s als Zwarte Piet, voetbal en carnaval in het licht van klassiek sociologische inzichten.

Verheffen is uit, maar wat dan wél?

Toonaangevende musea, carnaval, bloeiende muziek- en toneelgezelschappen: ook in de 21e eeuw wortelt Brabant nog altijd in een rijke culturele voedingsbodem. Tegelijkertijd gaapt er een groeiende kloof tussen stad en platteland, tussen oude verheffingsidealen en pretentieloos volksvermaak. Verheffen is uit, want wie bepaalt tegen welke idealen je op zou moeten klimmen? Van de andere kant blijft de behoefte aan houvast, aan een bepaalde toetssteen. Moeten we het misschien meer zoeken in de betekenis die cultuur heeft voor mensen? Een gesprek tussen Koen van Eijck & Mark van Ostaijen over kunst en cultuur in Noord-Brabant.

De plek waar Koen en Mark elkaar vandaag ontmoeten – Rotterdam – mag dan wel niet in Brabant liggen, maar hándig is het wel: Roosendaler Mark woont in Rotterdam en werkt in Tilburg, terwijl Koen dagelijks de omgekeerde beweging maakt van de textiel- naar de havenstad. De heren zijn geen onbekenden van elkaar: Mark volgde ooit colleges bij Koen.

Goede voedingsbodem

De eerste vraag is meteen een breed geformuleerde binnenkomer van de bovenste plank: wat is nou eigenlijk typerend voor de Brabantse cultuur? Koen verzorgt graag de aftrap. “Als je bijvoorbeeld kijkt naar het aantal theaters en musea is Brabant in absolute aantallen goed voorzien, al valt het per hoofd van de bevolking dan toch weer wat tegen. Waar we in Brabant sowieso heel goed in zijn: actieve cultuurparticipatie. Amateurkunst, harmonieën, fanfares: waar het verenigingsleven in heel het land erodeert, zie je dat dat in Brabant en ook Limburg nog steeds relatief goed op peil blijft. Die cultuurdeelname kweekt gemeenschapszin, maar voedt ook in algemene zin de interesse in cultuur. In die zin biedt Brabant een goede voedingsbodem, die burgers stimuleert om door te groeien en zich verder cultureel te ontwikkelen. Dat is absoluut een sterk punt van onze provincie.”

Binnen Brabant gaapt er wel een flinke kloof tussen stad en platteland, constateert Koen.

IN DE DORPEN VINDEN
BURGERS HELE ANDERE
DINGEN INTERESSANT EN
RELEVANT DAN IN DE STAD.

“Mijn ouders, die in Riel bij Tilburg wonen, bezochten onlangs het Regionaal Archief. Fantástisch vonden ze het, die aandacht voor lokale geschiedenis. Die interesse in heemkunde kan een aanknopingspunt zijn voor musea en andere ‘hogere’ vormen van cultureel aanbod.” Daar is Mark het mee eens, vertelt hij. “Het Noordbrabants Museum organiseerde de afgelopen jaren grote tijdelijke tentoonstellingen over de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig, die enorm veel bezoekers trokken. Zo trek je mensen het museum in die daar normaal gesproken niet zo snel voet over de drempel zetten, en stimuleer je hen wellicht om ook eens een kijkje te nemen in de andere zalen.” Koen knikt: “Juist die combinatie van iets wat bij hun belevingswereld aansluit én het reguliere aanbod, kan denk ik helpen om mensen binnen te halen.” Misschien moeten musea minder uitgaan van hun vaste collectie, oppert Mark. “Je moet daar flexibel in kunnen zijn.” Koen knikt: “Idealiter is er sprake van een dialoog tussen vraag en aanbod, waarbij je als museum uitgaat van wat je in huis hebt én van wat mensen graag willen zien.”

Drempel verlagen

Koen deed ooit in Rotterdam onderzoek naar cultuurbeleving door mensen ‘van straat te plukken’ en met hen naar een klassiek concert te gaan. “Je merkte dat mensen daar onzeker van werden. Wat moet ik aan? Wanneer moet ik klappen? Achteraf bleek het allemaal niet zo ‘eng’ als ze gedacht hadden, maar tegelijkertijd zag je óók dat de vooraf verwachte magie een beetje werd doorgeprikt.” Zijn de scheidslijnen tussen ‘lage’ en ‘hoge’ cultuur wellicht kleiner dan gedacht? Koen: “Het gevoel overheerst dat ook de Brabander meer heeft met de plaatselijke dorpsharmonie – die stukken speelt als de Radetzkymars of muziek uit de James Bond-films – dan met het Nederlands Philharmonisch Orkest. Terwijl die kruisbestuiving enorm drempelverlagend kan werken, juist omdat die voedingsbodem voor amateurkunst in Brabant zo rijk is. Kijk naar Tilburg, waar concertreeksen van artiesten als Guus Meeuwis en Wende Snijders in combinatie met een klassiek symfonieorkest enorm veel publiek trekken. Zoek de samenwerking op met iets wat mensen wél kennen en verlaag op die manier de drempel.”

TEGELIJKERTIJD KAN
DE BRABANTSE ‘WEERZIN
VAN AUTORITEIT’ WEL EEN
BELEMMERENDE FACTOR ZIJN.

“Als het gaat over de ‘hogere’ kunsten overheerst bij de gemiddelde Brabander toch een beetje het gevoel dat het bij uitstek iets voor de elite is, een speeltje voor ‘de hoge heren’. Brabanders zijn ook wel een beetje subversief en hebben een hang naar het absurdistische. Dat zie je niet alleen aan carnaval – bij uitstek het feest van de omkering –, maar bijvoorbeeld ook aan het relatief grote aantal cabaretiers en cartoonisten uit Brabant.” Koen lacht: “De cartoons van iemand als Gummbah – die weliswaar niet uit Brabant komt, maar wel al een groot deel van zijn leven in Tilburg woont – gaan heel vaak over mensen die perplex voor een kunstwerk staan en er geen chocola van kunnen maken. Lekker schoppen tegen highbrow-cultuur waar ‘we’ ons niet mee kunnen of willen identificeren.”

Gelaagde cultuur

Mark woonde tot zijn 26e in Brabant, in respectievelijk Roosendaal en Tilburg. Daarna vertrok hij naar achtereenvolgens Den Haag en zijn huidige standplaats Rotterdam. Pas toen hij in de Randstad ging werken, vielen hem Brabantse dingen op die hem daarvoor als volstrekt vanzelfsprekend voorkwamen, vertelt hij. “Neem carnaval, een onderwerp waar ik zelf regelmatig over schrijf: dat is iets waar we in Brabant enorm aan lijken te hangen. Maar die drie of vier dagen plezier in het vroege voorjaar zijn boven alles een metafoor voor iets groters: voor het grote sociale kapitaal, voor de actieve maatschappelijke participatie die vertrekt vanuit een hecht gemeenschappelijk weefsel. Áchter carnaval vind je een hele gelaagde cultuur van samen muziek maken, van tonpraoten, van samen maandenlang bouwen aan een praalwagen. In een breder verband kun je ook de schuttersgilden en heemkundekringen daartoe rekenen. De Brabantse cultuur heeft heel veel gelaagdheid. Dat zie je in de Randstad niet. Ik kwam onlangs op een tentoonstelling langs de stand van een Rotterdamse fotograaf. Daar gingen 19 van de 20 foto’s niet over mensen, maar over gebouwen.” Ook Koen constateert dat een Rotterdammer enorm trots is op zijn stad, maar dan vooral op de voorzieningen en de gebouwen. “Die Rotterdammer heeft dat sociale weefsel niet nodig om trots te zijn op zijn stad. Je kunt wel spreken van een soort Rotterdams karakter, maar dat is toch net iets anders dan je ergens écht thuisvoelen.”

Dát de vraag naar ‘de’ Brabantse cultuur überhaupt wordt gesteld, is volgens Mark belangrijker dan het antwoord op die vraag. “Niemand zal ooit vragen wat de Zuid-Hollandse cultuur is; hier vormen mensen hun identiteit veel meer naar de stad. Het provinciebestuur gaat hier ook echt bijna nergens over, dat is wel echt een verschil met Brabant.” Het verschil tussen ‘de provincie’ en de Randstad is volgens Mark ook terug te zien bij de kunstinstellingen. “Om weer het Noordbrabants Museum als voorbeeld te nemen: toen daar een blockbuster over Jeroen Bosch werd geprogrammeerd, trok die mensen uit heel Nederland. Tegelijkertijd haakten enorm veel lokale middenstanders aan met bijvoorbeeld speciaal aangeklede etalages. Die tentoonstelling was echt een stedelijk gedragen initiatief, heel opvallend.”

Eieren eten

Toch moeten we de rijke culturele voedingsbodem in Brabant anno 2018 ook weer niet té veel gewicht toekennen, nuanceert Koen. “In Riel trokken vroeger twaalf grote praalwagens mee tijdens de optocht, nu zijn dat er nog maar twee. Het lukt gewoon niet meer om daar voldoende mensen voor te mobiliseren. Ook de interesse in amateurkunst neemt af; kinderen zijn minder bezig met hun fysieke sociale omgeving en zijn meer online actief. Overigens zie je ook veerkracht. Toen in Riel te weinig mannen konden worden gevonden voor de Raad van Elf, sloegen de vrouwen de handen ineen. Het resultaat: de eerste volledig vrouwelijk Raad van Elf van Nederland. En als ik zelf nog eens in Riel beland met carnaval, kom ik alleen maar oude bekenden tegen en zit ik in het holst van de nacht ergens aan een vreemde keukentafel eieren te eten. Daar ben ik – als dorpsjongen die naar de stad is vertrokken – wel eens jaloers op, op die saamhorigheid.”

DE GELEIDELIJKE
ONTWORTELING SPEELT
IN HEEL NEDERLAND.

“Provincies als Zeeland en Drenthe lopen helemaal leeg. In vergelijking daarmee valt het in Brabant nog wel mee, al hebben middelgrote steden als Roosendaal het wel echt lastig. Daar is de hele leeftijdsgroep van 18 tot 35 jaar eigenlijk nagenoeg afwezig omdat er geen hogeschool of universiteit zit. Een hele levensstijl, inclusief smaakvoorkeuren en een bepaald cultureel patroon, zijn daardoor afwezig.”

Waar staat de verheffingstrap tegenaan?

De Brabander laat zich maar lastig vangen als het over cultuur gaat: van de ene kant geworteld in een rijke (maar afnemende) culturele voedingsbodem, van de andere kant wars van ‘elitair gedoe’. Hem of haar via crossover-initiatieven ‘lokken’ kan werken, maar is dat verheffingsideaal niet sowieso achterhaald? Verheffing mag in politiek opzicht dan ‘uit’ zijn, beleidsmakers grijpen volgens Koen nog vaak terug op ‘hetzelfde riedeltje’. “Kunst verbindt, leidt tot nieuwe ideeën, is goed voor je identiteit: het zijn verheffingsfrases die nog altijd terugkeren in veel beleidsstukken, al gebeurt dat tegenwoordig – uit angst van politici om voor elitair te worden versleten – wel steeds subtieler. Tegelijkertijd is nog nooit aangetoond dat mensen van museumbezoek of van klassieke muziek moreel betere mensen worden. Een collega van me zingt met heel veel plezier in een shantykoor. De betekenis van dat koor en wat het doet voor mensen, is volgens mij net zo relevant als wat een klassiek orkest met iemand kan doen.”

Het hele idee van verheffing kun je echt niet meer serieus verdisconteren in beleidsstukken, vindt ook Mark. “Verheffing gaat altijd over een trapje omhoog, maar waar staat dat trapje tegenaan? Tegen welke idealen moet je opklimmen? Het zijn altijd de idealen van iemand anders. Verheffen heeft iets heel paternalistisch in zich. Zeker in dit enorm gedemocratiseerde tijdperk kun je dat niet overeind houden. Hoe bepaal je überhaupt wat goed is? Een shantykoor heeft misschien minder betekenis voor iemand die van het Philharmonisch orkest houdt, maar uiteindelijk is het allemaal in the eye of the beholder. In die zin doet het er niet toe wat een ander normerend vindt, maar om de waarde van bepaalde cultuur voor een bepaalde gemeenschap, om de relaties die eruit voortkomen, en om wat het doet voor de identiteit van mensen. Dat zou ook een oproep kunnen zijn aan culturele instellingen: herdefinieer de manier waarop je succes meet. Wat heeft betekenis voor mensen? Dát zou, meer dan nu, het uitgangspunt moeten zijn.”

HERDEFINIEER DE
MANIER WAAROP JE SUCCES
MEET. WAT HEEFT BETEKENIS
VOOR MENSEN?

Van verheffen naar verdiepen

Dat is in de praktijk lastig, realiseert Koen zich. “Als de waarde van kunst niet in het werk zélf zit maar in de betekenis die het voor iemand heeft, wordt het lastig om er iets over te zeggen: betekenis is immers voor iedereen anders. Toch zouden we – inderdaad – eens moeten nadenken over een andere toetssteen. De ‘kenners’ zitten toch al veel sneller in de avant-gardistische en experimentele hoek in vergelijking met het grote publiek. Kwaliteitsmaatstaven zeggen heel weinig over de waarde van cultuur.” Kijk naar bijvoorbeeld de Tilburgse revue of de Priense Swaree in Roosendaal, vult Mark aan. “Gemeten naar puur esthetische criteria is dat zo ongeveer het minst mooie wat er in de schouwburg te zien is, maar mensen liggen bij wijze van spreken wél in de rij om een kaartje te bemachtigen. Waarom zou je die esthetische criteria dan zo laten prevaleren? Kunst is verbeelden, en die verbeelding kan verschillende vormen aannemen.”

Eigenlijk moet je niet spreken van verheffing, maar van verdieping, vindt Koen. “Uiteindelijk gaat het erom dat je je eigen leefwereld beter leert snappen en daar op een andere manier over nadenkt. Dat kan voor de een gebeuren bij Bach, de ander gaat compleet uit zijn dak als Dré Hazes nummers van zijn vader zingt. Als je het hebt over gemeenschapszin gebeurt in dat laatste geval waarschijnlijk meer dan bij het Philharmonisch Orkest. Ik vind dat mooi om te zien. Nog een voorbeeld: mijn buren gingen naar André Rieu op het Vrijthof en werden prompt door een Maastrichtenaar uitgenodigd om volgende keer toch vooral geen hotel meer te boeken maar bij hem te komen logeren. Over saamhorigheid gesproken!” Het is bevrijdend dat je als hoogopgeleide niet meer per se alles van klassieke muziek hoeft te weten, vindt Koen. “Je ziet andere cultuurvormen ontstaan, nieuwe hiërarchieën. Vroeger heerste er een vrij strikte opvatting over kwaliteit: klassiek en jazz waren goed, popmuziek was niks. Die strikte hiërarchie tussen genres is tegenwoordig helemaal losgelaten. Veel meer dan vroeger zie je nu hiërarchieën ontstaan binnen genres of zelfs subgenres. Binnen de jazz heb je enorm hoog aangeschreven artiesten én heel veel onzin. Of kijk naar hiphop: Kendrick Lamar wordt heel erg serieus genomen door hoogopgeleiden, terwijl iemand als Gers Pardoel voor ons gevoel maar wat staat te rijmen met zijn woordenboekje.”

KWALITEIT IS NOG
STEEDS BELANGRIJK,
MAAR MENSEN LATEN ZICH
NIET MEER LEIDEN DOOR WAT
JE GOED ‘MOET’ VINDEN.

Daarbij moeten we wel de ‘olifant in de kamer’ benoemen, vult Mark aan: “De klasse waaruit je komt, bepaalt voor een groot deel je smaakvoorkeuren. The class ceiling, noemen ze het in de sociologie wel: je kunt je wel ontworstelen, maar klasse blijft een enorm beperkende factor.” Daar is Koen het mee eens. “De arbeider mág kiezen voor Bach, maar vaak heeft die daar helemaal geen zin in. In die zin ben ik het eens met socioloog Pierre Bourdieu: klasse zorgt voor een blijvend stempel, hoe goed je ook je best doet om jezelf daaraan te ontworstelen. En als je een bepaalde etnische achtergrond hebt, lijdt dat vaak tot een dubbel stigma. The end of class: ik geloof er niet in.”

Culturele nudging

Staatssecretaris Paul Blokhuis van Volksgezondheid (Christenunie) kondigde afgelopen najaar flinke maatregelen aan in de strijd tegen roken, alcohol en overgewicht. Dat stuitte weliswaar op bezwaren van coalitiegenoten VVD, CDA en D66, maar de afgekondigde maatregelen zijn wel illustratief voor de tijdsgeest, denkt Koen. “Dit soort maatrelen wordt niet langer, of in elk geval minder dan voorheen, gezien als betuttelend. Het is interessant om te onderzoeken wat de parallellen zijn met het cultuurbeleid. Wat is goed, wat niet, en wat moeten we bevorderen? Alhoewel we dan toch weer in verheffingssferen komen, realiseer ik me.” Inderdaad komen we nu aan op het terrein van staatsbemoeienis, vindt Mark. “Het is denk ik lastig om zoiets vol te houden voor cultuur. Gezondheid en ook veiligheid zijn geen eindige concepten. Je kunt niet té gezond zijn. Het kan niet té veilig zijn. In kunst en cultuur zit niet diezelfde vorm van oneindigheid.” Maar je kunt toch ook niet zeggen dat mensen dan en dan voldoende geraakt of beïnvloed worden door kunst, werpt Koen tegen. Klopt, zegt Mark. “Maar dan blijft de vraag: welke kunst? En welke cultuur? Misschien moeten we het meer zoeken in nudging, een hele liberale manier van sturing waarbij je alleen de kaders aangeeft en mensen subtiel in een bepaalde richting probeert te duwen. Zo los je het spanningsveld op tussen autonomie en keuzevrijheid aan de ene, en het verdisconteren van een bepaalde norm aan de andere kant.”

Waarmee de heren na een kleine twee uur praten tóch weer min of meer uitkomen op hun eerdere gedachtegang: zoek de verbinding door aan te sluiten bij wat mensen kennen en wat voor hen betekenis heeft, en probeer hen op die manier kennis te laten maken met andere, ‘hogere’ vormen van kunst en cultuur. Koen knikt enthousiast: “Culturele nudging: ik ben voor.”

website mark van ostaijen
website koen van eijk

Verheffen is uit, maar wat dan wél?

Toonaangevende musea, carnaval, bloeiende muziek- en toneelgezelschappen: ook in de 21e eeuw wortelt Brabant nog altijd in een rijke culturele voedingsbodem. Tegelijkertijd gaapt er een groeiende kloof tussen stad en platteland, tussen oude verheffingsidealen en pretentieloos volksvermaak. Verheffen is uit, want wie bepaalt tegen welke idealen je op zou moeten klimmen? Van de andere kant blijft de behoefte aan houvast, aan een bepaalde toetssteen. Moeten we het misschien meer zoeken in de betekenis die cultuur heeft voor mensen? Een gesprek tussen Koen van Eijck & Mark van Ostaijen over kunst en cultuur in Noord-Brabant.

De plek waar Koen en Mark elkaar vandaag ontmoeten – Rotterdam – mag dan wel niet in Brabant liggen, maar hándig is het wel: Roosendaler Mark woont in Rotterdam en werkt in Tilburg, terwijl Koen dagelijks de omgekeerde beweging maakt van de textiel- naar de havenstad. De heren zijn geen onbekenden van elkaar: Mark volgde ooit colleges bij Koen.

Goede voedingsbodem

De eerste vraag is meteen een breed geformuleerde binnenkomer van de bovenste plank: wat is nou eigenlijk typerend voor de Brabantse cultuur? Koen verzorgt graag de aftrap. “Als je bijvoorbeeld kijkt naar het aantal theaters en musea is Brabant in absolute aantallen goed voorzien, al valt het per hoofd van de bevolking dan toch weer wat tegen. Waar we in Brabant sowieso heel goed in zijn: actieve cultuurparticipatie. Amateurkunst, harmonieën, fanfares: waar het verenigingsleven in heel het land erodeert, zie je dat dat in Brabant en ook Limburg nog steeds relatief goed op peil blijft. Die cultuurdeelname kweekt gemeenschapszin, maar voedt ook in algemene zin de interesse in cultuur. In die zin biedt Brabant een goede voedingsbodem, die burgers stimuleert om door te groeien en zich verder cultureel te ontwikkelen. Dat is absoluut een sterk punt van onze provincie.”

Binnen Brabant gaapt er wel een flinke kloof tussen stad en platteland, constateert Koen.

IN DE DORPEN VINDEN
BURGERS HELE ANDERE
DINGEN INTERESSANT EN
RELEVANT DAN IN DE STAD.

“Mijn ouders, die in Riel bij Tilburg wonen, bezochten onlangs het Regionaal Archief. Fantástisch vonden ze het, die aandacht voor lokale geschiedenis. Die interesse in heemkunde kan een aanknopingspunt zijn voor musea en andere ‘hogere’ vormen van cultureel aanbod.” Daar is Mark het mee eens, vertelt hij. “Het Noordbrabants Museum organiseerde de afgelopen jaren grote tijdelijke tentoonstellingen over de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig, die enorm veel bezoekers trokken. Zo trek je mensen het museum in die daar normaal gesproken niet zo snel voet over de drempel zetten, en stimuleer je hen wellicht om ook eens een kijkje te nemen in de andere zalen.” Koen knikt: “Juist die combinatie van iets wat bij hun belevingswereld aansluit én het reguliere aanbod, kan denk ik helpen om mensen binnen te halen.” Misschien moeten musea minder uitgaan van hun vaste collectie, oppert Mark. “Je moet daar flexibel in kunnen zijn.” Koen knikt: “Idealiter is er sprake van een dialoog tussen vraag en aanbod, waarbij je als museum uitgaat van wat je in huis hebt én van wat mensen graag willen zien.”

Drempel verlagen

Koen deed ooit in Rotterdam onderzoek naar cultuurbeleving door mensen ‘van straat te plukken’ en met hen naar een klassiek concert te gaan. “Je merkte dat mensen daar onzeker van werden. Wat moet ik aan? Wanneer moet ik klappen? Achteraf bleek het allemaal niet zo ‘eng’ als ze gedacht hadden, maar tegelijkertijd zag je óók dat de vooraf verwachte magie een beetje werd doorgeprikt.” Zijn de scheidslijnen tussen ‘lage’ en ‘hoge’ cultuur wellicht kleiner dan gedacht? Koen: “Het gevoel overheerst dat ook de Brabander meer heeft met de plaatselijke dorpsharmonie – die stukken speelt als de Radetzkymars of muziek uit de James Bond-films – dan met het Nederlands Philharmonisch Orkest. Terwijl die kruisbestuiving enorm drempelverlagend kan werken, juist omdat die voedingsbodem voor amateurkunst in Brabant zo rijk is. Kijk naar Tilburg, waar concertreeksen van artiesten als Guus Meeuwis en Wende Snijders in combinatie met een klassiek symfonieorkest enorm veel publiek trekken. Zoek de samenwerking op met iets wat mensen wél kennen en verlaag op die manier de drempel.”

TEGELIJKERTIJD KAN
DE BRABANTSE ‘WEERZIN
VAN AUTORITEIT’ WEL EEN
BELEMMERENDE FACTOR ZIJN.

“Als het gaat over de ‘hogere’ kunsten overheerst bij de gemiddelde Brabander toch een beetje het gevoel dat het bij uitstek iets voor de elite is, een speeltje voor ‘de hoge heren’. Brabanders zijn ook wel een beetje subversief en hebben een hang naar het absurdistische. Dat zie je niet alleen aan carnaval – bij uitstek het feest van de omkering –, maar bijvoorbeeld ook aan het relatief grote aantal cabaretiers en cartoonisten uit Brabant.” Koen lacht: “De cartoons van iemand als Gummbah – die weliswaar niet uit Brabant komt, maar wel al een groot deel van zijn leven in Tilburg woont – gaan heel vaak over mensen die perplex voor een kunstwerk staan en er geen chocola van kunnen maken. Lekker schoppen tegen highbrow-cultuur waar ‘we’ ons niet mee kunnen of willen identificeren.”

Gelaagde cultuur

Mark woonde tot zijn 26e in Brabant, in respectievelijk Roosendaal en Tilburg. Daarna vertrok hij naar achtereenvolgens Den Haag en zijn huidige standplaats Rotterdam. Pas toen hij in de Randstad ging werken, vielen hem Brabantse dingen op die hem daarvoor als volstrekt vanzelfsprekend voorkwamen, vertelt hij. “Neem carnaval, een onderwerp waar ik zelf regelmatig over schrijf: dat is iets waar we in Brabant enorm aan lijken te hangen. Maar die drie of vier dagen plezier in het vroege voorjaar zijn boven alles een metafoor voor iets groters: voor het grote sociale kapitaal, voor de actieve maatschappelijke participatie die vertrekt vanuit een hecht gemeenschappelijk weefsel. Áchter carnaval vind je een hele gelaagde cultuur van samen muziek maken, van tonpraoten, van samen maandenlang bouwen aan een praalwagen. In een breder verband kun je ook de schuttersgilden en heemkundekringen daartoe rekenen. De Brabantse cultuur heeft heel veel gelaagdheid. Dat zie je in de Randstad niet. Ik kwam onlangs op een tentoonstelling langs de stand van een Rotterdamse fotograaf. Daar gingen 19 van de 20 foto’s niet over mensen, maar over gebouwen.” Ook Koen constateert dat een Rotterdammer enorm trots is op zijn stad, maar dan vooral op de voorzieningen en de gebouwen. “Die Rotterdammer heeft dat sociale weefsel niet nodig om trots te zijn op zijn stad. Je kunt wel spreken van een soort Rotterdams karakter, maar dat is toch net iets anders dan je ergens écht thuisvoelen.”

Dát de vraag naar ‘de’ Brabantse cultuur überhaupt wordt gesteld, is volgens Mark belangrijker dan het antwoord op die vraag. “Niemand zal ooit vragen wat de Zuid-Hollandse cultuur is; hier vormen mensen hun identiteit veel meer naar de stad. Het provinciebestuur gaat hier ook echt bijna nergens over, dat is wel echt een verschil met Brabant.” Het verschil tussen ‘de provincie’ en de Randstad is volgens Mark ook terug te zien bij de kunstinstellingen. “Om weer het Noordbrabants Museum als voorbeeld te nemen: toen daar een blockbuster over Jeroen Bosch werd geprogrammeerd, trok die mensen uit heel Nederland. Tegelijkertijd haakten enorm veel lokale middenstanders aan met bijvoorbeeld speciaal aangeklede etalages. Die tentoonstelling was echt een stedelijk gedragen initiatief, heel opvallend.”

Eieren eten

Toch moeten we de rijke culturele voedingsbodem in Brabant anno 2018 ook weer niet té veel gewicht toekennen, nuanceert Koen. “In Riel trokken vroeger twaalf grote praalwagens mee tijdens de optocht, nu zijn dat er nog maar twee. Het lukt gewoon niet meer om daar voldoende mensen voor te mobiliseren. Ook de interesse in amateurkunst neemt af; kinderen zijn minder bezig met hun fysieke sociale omgeving en zijn meer online actief. Overigens zie je ook veerkracht. Toen in Riel te weinig mannen konden worden gevonden voor de Raad van Elf, sloegen de vrouwen de handen ineen. Het resultaat: de eerste volledig vrouwelijk Raad van Elf van Nederland. En als ik zelf nog eens in Riel beland met carnaval, kom ik alleen maar oude bekenden tegen en zit ik in het holst van de nacht ergens aan een vreemde keukentafel eieren te eten. Daar ben ik – als dorpsjongen die naar de stad is vertrokken – wel eens jaloers op, op die saamhorigheid.”

DE GELEIDELIJKE
ONTWORTELING SPEELT
IN HEEL NEDERLAND.

“Provincies als Zeeland en Drenthe lopen helemaal leeg. In vergelijking daarmee valt het in Brabant nog wel mee, al hebben middelgrote steden als Roosendaal het wel echt lastig. Daar is de hele leeftijdsgroep van 18 tot 35 jaar eigenlijk nagenoeg afwezig omdat er geen hogeschool of universiteit zit. Een hele levensstijl, inclusief smaakvoorkeuren en een bepaald cultureel patroon, zijn daardoor afwezig.”

Waar staat de verheffingstrap tegenaan?

De Brabander laat zich maar lastig vangen als het over cultuur gaat: van de ene kant geworteld in een rijke (maar afnemende) culturele voedingsbodem, van de andere kant wars van ‘elitair gedoe’. Hem of haar via crossover-initiatieven ‘lokken’ kan werken, maar is dat verheffingsideaal niet sowieso achterhaald? Verheffing mag in politiek opzicht dan ‘uit’ zijn, beleidsmakers grijpen volgens Koen nog vaak terug op ‘hetzelfde riedeltje’. “Kunst verbindt, leidt tot nieuwe ideeën, is goed voor je identiteit: het zijn verheffingsfrases die nog altijd terugkeren in veel beleidsstukken, al gebeurt dat tegenwoordig – uit angst van politici om voor elitair te worden versleten – wel steeds subtieler. Tegelijkertijd is nog nooit aangetoond dat mensen van museumbezoek of van klassieke muziek moreel betere mensen worden. Een collega van me zingt met heel veel plezier in een shantykoor. De betekenis van dat koor en wat het doet voor mensen, is volgens mij net zo relevant als wat een klassiek orkest met iemand kan doen.”

Het hele idee van verheffing kun je echt niet meer serieus verdisconteren in beleidsstukken, vindt ook Mark. “Verheffing gaat altijd over een trapje omhoog, maar waar staat dat trapje tegenaan? Tegen welke idealen moet je opklimmen? Het zijn altijd de idealen van iemand anders. Verheffen heeft iets heel paternalistisch in zich. Zeker in dit enorm gedemocratiseerde tijdperk kun je dat niet overeind houden. Hoe bepaal je überhaupt wat goed is? Een shantykoor heeft misschien minder betekenis voor iemand die van het Philharmonisch orkest houdt, maar uiteindelijk is het allemaal in the eye of the beholder. In die zin doet het er niet toe wat een ander normerend vindt, maar om de waarde van bepaalde cultuur voor een bepaalde gemeenschap, om de relaties die eruit voortkomen, en om wat het doet voor de identiteit van mensen. Dat zou ook een oproep kunnen zijn aan culturele instellingen: herdefinieer de manier waarop je succes meet. Wat heeft betekenis voor mensen? Dát zou, meer dan nu, het uitgangspunt moeten zijn.”

HERDEFINIEER DE
MANIER WAAROP JE SUCCES
MEET. WAT HEEFT BETEKENIS
VOOR MENSEN?

Van verheffen naar verdiepen

Dat is in de praktijk lastig, realiseert Koen zich. “Als de waarde van kunst niet in het werk zélf zit maar in de betekenis die het voor iemand heeft, wordt het lastig om er iets over te zeggen: betekenis is immers voor iedereen anders. Toch zouden we – inderdaad – eens moeten nadenken over een andere toetssteen. De ‘kenners’ zitten toch al veel sneller in de avant-gardistische en experimentele hoek in vergelijking met het grote publiek. Kwaliteitsmaatstaven zeggen heel weinig over de waarde van cultuur.” Kijk naar bijvoorbeeld de Tilburgse revue of de Priense Swaree in Roosendaal, vult Mark aan. “Gemeten naar puur esthetische criteria is dat zo ongeveer het minst mooie wat er in de schouwburg te zien is, maar mensen liggen bij wijze van spreken wél in de rij om een kaartje te bemachtigen. Waarom zou je die esthetische criteria dan zo laten prevaleren? Kunst is verbeelden, en die verbeelding kan verschillende vormen aannemen.”

Eigenlijk moet je niet spreken van verheffing, maar van verdieping, vindt Koen. “Uiteindelijk gaat het erom dat je je eigen leefwereld beter leert snappen en daar op een andere manier over nadenkt. Dat kan voor de een gebeuren bij Bach, de ander gaat compleet uit zijn dak als Dré Hazes nummers van zijn vader zingt. Als je het hebt over gemeenschapszin gebeurt in dat laatste geval waarschijnlijk meer dan bij het Philharmonisch Orkest. Ik vind dat mooi om te zien. Nog een voorbeeld: mijn buren gingen naar André Rieu op het Vrijthof en werden prompt door een Maastrichtenaar uitgenodigd om volgende keer toch vooral geen hotel meer te boeken maar bij hem te komen logeren. Over saamhorigheid gesproken!” Het is bevrijdend dat je als hoogopgeleide niet meer per se alles van klassieke muziek hoeft te weten, vindt Koen. “Je ziet andere cultuurvormen ontstaan, nieuwe hiërarchieën. Vroeger heerste er een vrij strikte opvatting over kwaliteit: klassiek en jazz waren goed, popmuziek was niks. Die strikte hiërarchie tussen genres is tegenwoordig helemaal losgelaten. Veel meer dan vroeger zie je nu hiërarchieën ontstaan binnen genres of zelfs subgenres. Binnen de jazz heb je enorm hoog aangeschreven artiesten én heel veel onzin. Of kijk naar hiphop: Kendrick Lamar wordt heel erg serieus genomen door hoogopgeleiden, terwijl iemand als Gers Pardoel voor ons gevoel maar wat staat te rijmen met zijn woordenboekje.”

KWALITEIT IS NOG
STEEDS BELANGRIJK,
MAAR MENSEN LATEN ZICH
NIET MEER LEIDEN DOOR WAT
JE GOED ‘MOET’ VINDEN.

Daarbij moeten we wel de ‘olifant in de kamer’ benoemen, vult Mark aan: “De klasse waaruit je komt, bepaalt voor een groot deel je smaakvoorkeuren. The class ceiling, noemen ze het in de sociologie wel: je kunt je wel ontworstelen, maar klasse blijft een enorm beperkende factor.” Daar is Koen het mee eens. “De arbeider mág kiezen voor Bach, maar vaak heeft die daar helemaal geen zin in. In die zin ben ik het eens met socioloog Pierre Bourdieu: klasse zorgt voor een blijvend stempel, hoe goed je ook je best doet om jezelf daaraan te ontworstelen. En als je een bepaalde etnische achtergrond hebt, lijdt dat vaak tot een dubbel stigma. The end of class: ik geloof er niet in.”

Culturele nudging

Staatssecretaris Paul Blokhuis van Volksgezondheid (Christenunie) kondigde afgelopen najaar flinke maatregelen aan in de strijd tegen roken, alcohol en overgewicht. Dat stuitte weliswaar op bezwaren van coalitiegenoten VVD, CDA en D66, maar de afgekondigde maatregelen zijn wel illustratief voor de tijdsgeest, denkt Koen. “Dit soort maatrelen wordt niet langer, of in elk geval minder dan voorheen, gezien als betuttelend. Het is interessant om te onderzoeken wat de parallellen zijn met het cultuurbeleid. Wat is goed, wat niet, en wat moeten we bevorderen? Alhoewel we dan toch weer in verheffingssferen komen, realiseer ik me.” Inderdaad komen we nu aan op het terrein van staatsbemoeienis, vindt Mark. “Het is denk ik lastig om zoiets vol te houden voor cultuur. Gezondheid en ook veiligheid zijn geen eindige concepten. Je kunt niet té gezond zijn. Het kan niet té veilig zijn. In kunst en cultuur zit niet diezelfde vorm van oneindigheid.” Maar je kunt toch ook niet zeggen dat mensen dan en dan voldoende geraakt of beïnvloed worden door kunst, werpt Koen tegen. Klopt, zegt Mark. “Maar dan blijft de vraag: welke kunst? En welke cultuur? Misschien moeten we het meer zoeken in nudging, een hele liberale manier van sturing waarbij je alleen de kaders aangeeft en mensen subtiel in een bepaalde richting probeert te duwen. Zo los je het spanningsveld op tussen autonomie en keuzevrijheid aan de ene, en het verdisconteren van een bepaalde norm aan de andere kant.”

Waarmee de heren na een kleine twee uur praten tóch weer min of meer uitkomen op hun eerdere gedachtegang: zoek de verbinding door aan te sluiten bij wat mensen kennen en wat voor hen betekenis heeft, en probeer hen op die manier kennis te laten maken met andere, ‘hogere’ vormen van kunst en cultuur. Koen knikt enthousiast: “Culturele nudging: ik ben voor.”

website mark van ostaijen
website koen van eijk
Top