Scroll to top

Het onderzoek
/

Denkend aan Brabant zie ik folklore en fanfare… De tijd dat dat ons beeld was bij regionale cultuur ligt ver achter ons. Cultuur is geen stoffig streekproduct. Sterker nog: in de regio gebeurt het. Dáár ontstaat culturele vernieuwing. Dat vindt inmiddels niet alleen Den Bosch, maar ook Den Haag. Het Rijk wil de regio de ruimte geven om cultureel te groeien. Deze switch in denken (en doen) is opmerkelijk en onvermijdelijk. Het cultuurbeleid is namelijk een van de laatste beleidsterreinen die nog een sterke nationale oriëntatie kent. Maar dat is niet langer houdbaar.

In een wereld waar globalisering de neiging tot regionalisering aanwakkert, komt de eenzijdige focus op het nationale schaalniveau onder druk te staan. Niet voor niets constateert de Raad voor Cultuur in Agenda Cultuur (2015) dat het belang van steden en regio’s toeneemt. De lokale worteling van cultuur in stad en regio gaat volgens de Raad gepaard met een gelijktijdige internationale oriëntatie van kunstenaars en culturele instellingen. De regio is culturele schakelkast tussen lokaal en internationaal. Het ideale schaalniveau waarop de culturele stroomvoorziening het beste kan worden opgewekt, opgeslagen en verdeeld.

Het advies van de Raad om het (nationale) cultuurbeleid meer te laten bepalen door de keuzes van stedelijke regio’s is de afgelopen jaren razendsnel opgepakt. Den Haag wil de regio voortaan niet alleen ruimtelijk en economisch, maar ook cultureel in positie brengen. Daarom heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de regio’s uitgedaagd samen een cultureel profiel te maken van hun kijk op kunst en cultuur. Die regioprofielen vormen daarna input voor het opstellen van plannen voor de nieuwe culturele basisinfrastructuur én de basis voor verdere afspraken tussen het Rijk en lokale en provinciale overheden. Dat allemaal om het cultuurbeleid op de verschillende overheidsniveaus beter op elkaar te laten aansluiten. Een bestuursculturele verandering op zich.

De uitnodiging om een regioprofiel op te stellen, belandde natuurlijk ook op de rood-wit geblokte deurmat. In Brabant hebben de vijf grootste gemeenten en provincie, samen met de culturele sector, de handen ineengeslagen en een profiel opgesteld. Onder de noemer ‘BrabantStad maakt het’ presenteerden ze eind 2018 hun kijk op een ‘innovatieve culturele regio als geen ander’.

Letterlijk en figuurlijk haaks hierop is BrabantKennis gestart met een verkenning naar de culturele eigen/wijs/heid van Brabant. De behoefte om eens dwars tegen dit thema aan te kijken, hangt samen met de diepere vraag die het idee van een regioprofiel oproept. Als een regio een cultureel profiel heeft, wat zijn dan eigenlijk de precieze eigenschappen van het culturele leven in Brabant? Waarin zit ‘m de eigenheid en vooral de eigenzinnigheid van onze cultuur?

Deze verkenning is uit oprechte dwarsigheid geboren. Alleen door dwars op de kijkrichting te staan, kun je namelijk het profiel van iemand zien en een blik werpen op zijn eigenschappen. Dat klinkt logisch, maar is een regio in culturele zin eigenlijk wel ‘en profil’ te bekijken? Dat is lastig te beantwoorden. Want een regio is geen persoon. Anders dan jij en ik, spreekt een regio niet voor zichzelf. En daarbij: dé regio bestaat niet. Wat economisch en bestuurlijk een logisch regionaal verband is, hoeft dat cultureel niet te zijn.

Om zicht te krijgen op het profiel van de regio moeten we behendig pendelen tussen toen en toekomst, tussen de statica van de voltooid verleden tijd en de dynamica van de onvoltooid toekomstige tijd. De culturele wereld van toen is de wereld van kunst- en cultuurhistorici. De culturele toekomst is vooral het speelterrein van futuristen en trendwatchers. Daartussen bewegen zich de Brabantse doeners en denkers die in het hier-en-nu cultuur maken, snuiven, stimuleren, tentoonstellen enzovoorts. Díe Brabanders, die zich iedere dag actief bewegen op de culturele werkvloer van onze provincie, staan in deze verkenning centraal. We zijn met ze in gesprek gegaan: in een-op-een gesprekken, dubbelinterviews, essays, dagboeken, per brief, en in debat. We hebben ze telkens gevraagd hun licht te laten schijnen op wat ze in culturele zin doen, waarom ze dat doen, en wat ze vinden van het (en hun!) culturele leven in Brabant.

Bij de selectie van gesprekspartners zijn we uitgegaan van een zo breed mogelijk cultuurbegrip. Juist in Brabant hebben we alle reden om cultuur niet te versmallen tot die ene klassieke (en beleidsmatige) betekenis van erfgoed en kunsten. Want dat suggereert een afgebakend en ingekaderd professionalisme. Iets dat zich slecht verhoudt tot het betrokken en gedreven ‘amateurisme’ van veel Brabanders die cultureel bezig zijn. Sowieso kleeft aan cultuur een sectorale connotatie. We hebben het al snel over een zelfstandige sector, met eigen instituten, disciplines, subsidiestromen, professionele standaarden en beoefenaars. Cultuur met een grote C. En die is zeker belangrijk voor het culturele leven in Brabant, maar dekt niet de hele lading.

Want daarbuiten, daar bloeit de cultuur van de kleine c. Wie door deze publicatie bladert, ziet een rijkgeschakeerd cultureel landschap aan zich voorbijtrekken: van cabaretvoorstellingen, platenbeurzen, dansvoorstellingen en tatoeageworkshops tot filmvertoningen, fotografie-exposities, festivals, muziekoptredens en urban sports evenementen. Er gebeurt in Brabant van alles. En overal. Niet alleen in de steden, maar ook daarbuiten, online, en grensoverschrijdend tussen België en Nederland. Van diepgewortelde culturele tradities die teruggaan tot een ver verleden, tot hypermoderne en spraakmakende evenementen die een internationaal publiek trekken. En van conceptuele hoogstandjes voor een select gezelschap tot en met door en voor bewoners samengestelde corso’s, straattoneel en buurtopera’s. Onze cultuur is Brabants bont. Wat zegt dat over de culturele eigen/wijs/heid van Brabant?

Als we iets willen zeggen over die eigen/wijs/heid, moeten we eerst de eigenheid ervan bepalen. Eigenheid zegt wat karakteristiek is voor iemand of iets. Wat is er in dat bonte beeld karakteristiek voor de cultuur in Brabant? Op het eerste gezicht is het lastig scherpstellen. Maar als onze ogen gewend zijn, zien we toch overeenkomsten in het beeld die eenzelfde culturele grondtoon verraden. Een groot gevoel voor de gemeenschap, voor publieke vormen van vertoning en verbeelding, en voor het ongerijmde, het komische en het absurde. Het is een toon die resoneert met hoe cultuur in Brabant is ontstaan: onder het juk van overherigheid, doordrenkt van katholicisme en lokalisme, in de marge van de nationale kunstenhiërarchie.

De tijden zijn natuurlijk veranderd. Maar toch heeft de geschiedenis ons in een bepaalde stand gezet. Hoewel het culturele verleden geen herhaling afdwingt, is cultuur ook weer niet helemaal wat we er zelf van (willen) maken. Vergelijk het met de kolkende rivier van het katholieke geloof. Die is opgedroogd tot een klein stroompje, maar heeft wel een flinke culturele bedding uitgesleten. De invloed van zo’n culturele onderstroom is niet meetbaar, maar wel merkbaar. Hoeveel Brabanders zijn niet bereid om, vaak gratis en voor niets, samen met anderen tijd en moeite te steken in iets dat groter is dan zijzelf? Van cultuur gaat een inspiratie uit die mensen in beweging en in vervoering brengt.

Samen cultuur maken en ervaren is waardevol op allerlei manieren. Als je er zo naar kijkt, dan is cultuur niet alleen intrinsiek waardevol vanwege de artistieke expressie of instrumenteel van nut voor de creatieve industrie of het vestigingsklimaat. Cultuur is ook relationeel van betekenis. Het draait om dialoog en ontmoeting. Een stelling die door deze hele publicatie heen wordt bekrachtigd. Natuurlijk houdt de wervelwind van individualisering en digitalisering ook in Brabant huis, maar de kracht van het collectief staat nog stevig overeind. We vieren en versieren het leven hier nog steeds als we zielsverwanten ontmoeten. De vele festivals getuigen daarvan. Ze stillen niet alleen een culturele honger, maar voorzien ook in een groeiende sociale behoefte. Die volgens het klassieke onderscheid in de kunsten tussen publiek en privaat, burger en overheid, kunstenaar en publiek. Nee, daar is de scheidslijn tussen makers en publiek er vaak één in potlood. Er wordt collectief ontworpen, gemaakt en beleefd.

De eigen/heid van deze evenementen mag dan misschien niet voldoen aan de klassieke culturele codes, toch gaat er de nodige wijs/heid achter schuil. Wijs/heid gaat over de kennis en het inzicht waarmee je de dingen doet. Die wijs/heid zie je bijvoorbeeld terug in de waarde die gehecht wordt aan tijd en de duurzaamheid van relaties. Als een relatie belangrijker is dan een (economische) transactie, dan moet die relatie gekoesterd en onderhouden worden. Op die manier wordt hij met de tijd behoefte is diepgeworteld, en je kunt de culturele eigen/wijs/heid van Brabant niet begrijpen zonder daarbij stil te staan.

Relaties geven betekenis en cultuur maken is daarom ook een proces van groepen en van groepsvorming. Cultuur is vaak het smeer- en bindmiddel voor zo’n groep. Niet statisch, maar vloeiend en organisch, meebewegend met de behoefte van de (informele) gemeenschap zelf. Dat vraagt om commitment. Wie meedoet, moet zich – zolang als het evenement duurt – kunnen identificeren met de plek en de ontmoetingen. Festival Intents, Fanfari Bombari en de Brabantse Dag: ze zijn zo succesvol omdat ze gedragen worden door een (tijdelijke) gemeenschap. Zulke culturele gemeenschappen kun je niet indelen betrouwbaarder. En sterker. Wie op deze manier deelt, vermenigvuldigt de verbeeldingskracht. Dat kenmerkt ook de mensen (makers en publiek) die zich actief engageren met zulke collectieven. Ze stijgen gemakkelijk uit boven hun eigen ego. Ze denken niet alleen in kunstwerken, maar ook in netwerken.

Door (te) netwerken wordt een uitwisseling van kennis en ervaringen mogelijk gemaakt. Generaties ontmoeten elkaar. In het gesprek tussen oud en jong komt ambacht in contact met innovatie en wordt analoog de digi-taal gesproken. Elkaar wat gunnen is een andere wijs/heid die deze cultuur-als-collectief kenmerkt. Maar let op, culturele coöperatie gaat hand in hand met competitie. In de aanloop naar het Zunderts bloemencorso worden gereedschappen uitgeleend, dahlia’s geruild: alleen samen kan het spektakel verwezenlijkt worden. Rangen en standen doen er niet toe. Maar op de eerste zondag van september, bij de grote optocht, zijn de buurtschappen concurrenten. Ieder wil winnen. De culturele krachtmeting wordt op het scherp van de snede gevoerd. De concurrentie tussen de buurtschappen is een serieus spel.

Als spel onderdeel van het culturele leven in Brabant is en een must voor het scheppen van cultuur, dan moeten we ons tot slot afvragen of we het spel wel eigen/wijs genoeg spelen. Eigen/wijs is wie overtuigd is van zichzelf en een eigen koers vaart. Hoe eigenzinnig is de cultuur ‘van hier’? Zetten we de regels naar onze hand? Spelen we het spel op onze manier? Dat is maar de vraag.

Tussen de culturele systeemwereld en de culturele leefwereld schuurt het. Cultuur ontwikkelt zich zo snel dat het zich sowieso niet laat vangen door ‘bedachte’ bestuurlijke structuren en sectorale silo’s van de overheid. En dat geeft spanning.

Het topje van de spreekwoordelijke culturele berg steunt op een brede voet van ondernemende gemeenschappen. Iets wat lang niet altijd (h)erkend wordt. Voordat je het weet zijn top en berg van elkaar losgezongen. Voor een deel komt dat door de inrichting van het huidige cultuursysteem en de concepten en beelden die daarbij horen. Als je denkt en spreekt in termen van (hiërarchische) piramides en bergen, gaat je aandacht vanzelf naar de top. Natuurlijk is het verleidelijk om te denken dat de culturele biodiversiteit alleen maar ‘piekt’ aan de top. Maar we weten in ons vlakke Brabant dat meanderende beekdalen ook enorm soortenrijk kunnen zijn.

Toch is het lastig om anders te denken en te doen. Uitwisseling tussen ‘boven’ en ‘beneden’ is een hele opgave. Die mismatch zorgt voor de meeste spanningen in het cultuursysteem dat we vandaag de dag kennen. En dat is jammer. Want het zijn de kruisbestuivingen tussen beide werelden die de cultuur in Brabant verder brengen. Juist op het grensvlak ontstaat er ruimte voor culturele vernieuwing. Maar die interactie krijgen we niet vanzelf. Experimenten zijn nodig. Op kleine schaal gebeurt dat al. Musea en theaters in Brabant dagen bezoekers uit om coproducent van hun collectie of voorstelling te worden.

En er worden door cultuurmakers nieuwe verbindingen gelegd om kunst meer in het dagelijkse leven van mensen te plaatsen. Maar daarnaast zou een totale verandering van ons denkkader weleens nodig kunnen zijn om de verschillende werelden bij elkaar te brengen, echt te laten communiceren.

Hoewel dat misschien revolutionair klinkt, gaat het hier eerder om evolutionair denken (en doen). Als deze publicatie namelijk iets duidelijk maakt is het dat we de artistieke en economische dimensie van cultuur moeten completeren met een sociale. Cultuur in Brabant is niet twee- maar driedimensionaal. In deze culturele ‘triangulatie’ zou weleens de oplossing kunnen schuilen. Het stimuleert dat sociale (proces)waarden en kwaliteiten een plek krijgen in het culturele spel, naast de (bestaande) professioneel-artistieke en instrumenteel-economische waarden. Maar ook dat we gaan denken in betekenisvolle verbindingen in plaats van culturele doelgroepen. Dat we cultuur niet programmeren vóór, maar (co-creatief) ontwerpen samen mét betrokken gemeenschappen. En dat we rekening houden met de diversiteit aan stemmen en culturele achtergronden.

Is deze culturele ‘trialogica’, dit driehoekig denken, de sleutel voor een cultureel eigen/wijs Brabant? Dat zal de praktijk moeten uitwijzen. Het grote voordeel van een driehoek is in elk geval dat het een meetkundige figuur is waarvan de hoeken nooit op één rechte lijn liggen. Dat dwingt je vanzelf om ‘dwars’ te kijken.

Echt eigen/wijs zijn diegenen die de culturele rechtlijnigheid achter zich laten. Die taal en tekens verschuiven. Vanaf nu schrijven we daarom:

Culturele
eigen\wijs\heid!

Top