Scroll to top
17 maart 2019

Grote Gitaar en Fluitdag

Factorium

17 maart 2019

Grote Gitaar en Fluitdag

Factorium

Het is druk in de binnenkomsthal van het Factorium. Er is een masterclass van de bekende Nederlandse musicalregisseur Paul Eenens, aan de studenten van de Musical Factory. In de grote zaal staan een hoop stoelen klaar, en wordt op een enorm scherm de tekst Musicals In Concert geprojecteerd. Meer nog dan musicalstudenten is de hal gevuld.

U bent ook een musicalstudent?
‘Nee, nee, mijn zoon doet vandaag mee.’
Oh, uw zoon is een musicalartiest?
‘Een musicalartiest? Nee, je bent bij de grote Gitaar en Fluitdag.’
Oh?
‘De grote gitaar en fluitdag?’ probeert hij me nog een keer uit te leggen. ‘Dat iedereen gitaar en fluit gaat spelen? Mijn zoon is al weken aan het oefenen. Vandaag gaat hij echt stuk van de zenuwen, zelfs eten ging een beetje moeilijk, vanochtend.’
Maar, komt u niet voor Paul Eenens, dan?
‘Voor wie?’ Dan zwaait Mark naar een bekende en verexcuseert hij zich.

Het is druk in de binnenkomsthal van het Factorium. Er is een masterclass van de bekende Nederlandse musicalregisseur Paul Eenens, aan de studenten van de Musical Factory. In de grote zaal staan een hoop stoelen klaar, en wordt op een enorm scherm de tekst Musicals In Concert geprojecteerd. Meer nog dan musicalstudenten is de hal gevuld.

U bent ook een musicalstudent?
‘Nee, nee, mijn zoon doet vandaag mee.’
Oh, uw zoon is een musicalartiest?
‘Een musicalartiest? Nee, je bent bij de grote Gitaar en Fluitdag.’
Oh?
‘De grote gitaar en fluitdag?’ probeert hij me nog een keer uit te leggen. ‘Dat iedereen gitaar en fluit gaat spelen? Mijn zoon is al weken aan het oefenen. Vandaag gaat hij echt stuk van de zenuwen, zelfs eten ging een beetje moeilijk, vanochtend.’
Maar, komt u niet voor Paul Eenens, dan?
‘Voor wie?’ Dan zwaait Mark naar een bekende en verexcuseert hij zich.

Dan kijk ik nog eens naar het dochtertje. Ze prutst wat met haar handen aan haar jas en kijkt naar de grond.
Ik heb één kaartje. Ze mag het mijne hebben, als ze wil.
‘Nee, nee,’ verzucht de moeder. ‘Dat is lief, maar ik ben bang dat dat niet zal gaan werken, in haar eentje in de grote zaal. Dat gaat ze zeker te eng vinden.’
Even kijkt de moeder naar beneden, naar haar kind, dat zich een klein beetje verstopt achter haar moeders been. Er rennen twee jongens achter elkaar aan die doen alsof ze met mittrailleurs op elkaar schieten.
Dan begint de rij zich te vormen. Er schuifelt een opa en een oma voorbij, met kleindochter en kleinzoon. Alle vier hebben ze een lange, spiraalvormige spek in hun handen.

“Het jongetje springt een paar keer op en neer en wijst met zijn spek, die hij als een soort aanwijsstok, een toverstaf gebruikt, naar het levensgrote kartonnen bord van René ‘t Hoff.”

Zijn zus probeert de tekst die op het bord staat te lezen, maar komt er niet helemaal uit.
Zwijgend bijt de opa in zijn speksliert. Oma aait de kleinzoon over zijn hoofd.
‘Kom, jongen, hup, gedraag je even, alsjeblieft,’ mompelt ze hem toe. Dan neemt ze een hap van haar spek, en kijkt ze langs de rij af, of er al wat beweging in zit.
Als de voorstelling begonnen is, keert de rust en de stilte weder in het café van de NWE Vorst. Het barpersoneel spoelt wat glazen om. In de hoek zit een vrouw met een laptop, te werken. Door de gang rennen twee jongetjes die toch liever een ochtend lang doen alsof ze elkaar doodschieten, dan naar een theatervoorstelling te gaan.

Dan kijk ik nog eens naar het dochtertje. Ze prutst wat met haar handen aan haar jas en kijkt naar de grond.
Ik heb één kaartje. Ze mag het mijne hebben, als ze wil.
‘Nee, nee,’ verzucht de moeder. ‘Dat is lief, maar ik ben bang dat dat niet zal gaan werken, in haar eentje in de grote zaal. Dat gaat ze zeker te eng vinden.’
Even kijkt de moeder naar beneden, naar haar kind, dat zich een klein beetje verstopt achter haar moeders been. Er rennen twee jongens achter elkaar aan die doen alsof ze met mittrailleurs op elkaar schieten.
Dan begint de rij zich te vormen. Er schuifelt een opa en een oma voorbij, met kleindochter en kleinzoon. Alle vier hebben ze een lange, spiraalvormige spek in hun handen.

“Het jongetje springt een paar keer op en neer en wijst met zijn spek, die hij als een soort aanwijsstok, een toverstaf gebruikt, naar het levensgrote kartonnen bord van René ‘t Hoff.”

Zijn zus probeert de tekst die op het bord staat te lezen, maar komt er niet helemaal uit.
Zwijgend bijt de opa in zijn speksliert. Oma aait de kleinzoon over zijn hoofd.
‘Kom, jongen, hup, gedraag je even, alsjeblieft,’ mompelt ze hem toe. Dan neemt ze een hap van haar spek, en kijkt ze langs de rij af, of er al wat beweging in zit.
Als de voorstelling begonnen is, keert de rust en de stilte weder in het café van de NWE Vorst. Het barpersoneel spoelt wat glazen om. In de hoek zit een vrouw met een laptop, te werken. Door de gang rennen twee jongetjes die toch liever een ochtend lang doen alsof ze elkaar doodschieten, dan naar een theatervoorstelling te gaan.

Top