Scroll to top
Evert Bisschop Boele & Jan-Hein Sloesen over:

Dialoog en ontmoeting in kunst en cultuur

Evert Bisschop Boele & Jan-Hein Sloesen over:

Dialoog en ontmoeting in kunst en cultuur

EVERT BISSCHOP BOELE verricht praktijkgericht onderzoek naar muziek- en kunsteducatie. Hij is leading lector van het Kenniscentrum Kunst & Samenleving, en daarbinnen lector Kunsteducatie van het lectoraat Lifelong Learning in Music aan het Prins Claus Conservatorium (Hanzehogeschool Groningen). Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar Betekenis van cultuurparticipatie bij de Erasmus School of History, Culture and Communication (ESHCC) aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

JAN-HEIN SLOESEN is sinds 1 juni 2017 directeur van het ‘cultuurcluster’ in Roosendaal, waarvan schouwburg De Kring (samen met erfgoedcentrum Tongerlohuys en cultuureducatie-instelling CultuurCompaan) deel uitmaakt. Eerder was hij onder meer werkzaam als directeur van theater De Bussel in zijn geboorteplaats Oosterhout en als hoofd Cultuur bij de provincie Noord-Brabant. Als een van de eersten doorliep Jan-Hein in Utrecht het leerprogramma Leiderschap in Cultuur (LinC), voor en door leiders in de culturele sector.

EVERT BISSCHOP BOELE verricht praktijkgericht onderzoek naar muziek- en kunsteducatie. Hij is leading lector van het Kenniscentrum Kunst & Samenleving, en daarbinnen lector Kunsteducatie van het lectoraat Lifelong Learning in Music aan het Prins Claus Conservatorium (Hanzehogeschool Groningen). Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar Betekenis van cultuurparticipatie bij de Erasmus School of History, Culture and Communication (ESHCC) aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

JAN-HEIN SLOESEN is sinds 1 juni 2017 directeur van het ‘cultuurcluster’ in Roosendaal, waarvan schouwburg De Kring (samen met erfgoedcentrum Tongerlohuys en cultuureducatie-instelling CultuurCompaan) deel uitmaakt. Eerder was hij onder meer werkzaam als directeur van theater De Bussel in zijn geboorteplaats Oosterhout en als hoofd Cultuur bij de provincie Noord-Brabant. Als een van de eersten doorliep Jan-Hein in Utrecht het leerprogramma Leiderschap in Cultuur (LinC), voor en door leiders in de culturele sector.

Hoe kunnen we betekenisvol worden voor elkáár?

Cultuurinstellingen proberen steeds meer oog te hebben voor wat er om hen heen gebeurt en de ‘stem van het volk’ zo goed mogelijk te vertalen naar museum of theaterzaal. Tegelijkertijd worstelen veel professionele kunstenaars met de vraag hoe zij en hun publiek betekenisvol kunnen worden voor elkáár. Wat kunnen zij, maker en consument, sámen tot stand brengen? En hoe kom je uit de traditionele zendstand en het aloude vraag-aanbodmodel? Een gesprek tussen Evert Bisschop Boele & Jan-Hein Sloesen over het belang van de dialoog en de ontmoeting.

Midden in het centrum van Roosendaal zetelt al ruim honderd jaar concertzaal/schouwburg De Kring. Het theater behoort tot de grootste tien schouwburgen in Nederland, waarmee Roosendaal – met zo’n 85.000 inwoners de 41e gemeente van ons land – het in cultureel opzicht helemaal niet zo slecht doet.

Cultureel kapitaal

En toch is het voor een middelgrote Brabantse gemeente als Roosendaal soms lastig om haar stem luid en duidelijk te laten horen, constateert Jan-Hein Sloesen, inmiddels zo’n anderhalf jaar directeur van De Kring. “Als gemeente behoren we namelijk niet tot Brabantstad: de Brabantse stedenrij Breda, Tilburg, Den Bosch, Eindhoven en Helmond. Die ‘grote vijf’ vergaderen regelmatig met elkaar in allerlei samenstellingen, waarna middelgrote steden als Roosendaal in het laatste uur óók nog even mogen aanschuiven. Uiteindelijk is Brabantstad een bedacht samenwerkingsverband, dat vooral tot stand is gekomen omdat het handig en overzichtelijk is en omdat deze vijf steden de meeste inwoners per stad en het meeste economische kapitaal hebben.


ER GEBEURT IN BRABANT
VAN ALLES: BUITEN DE STEDEN,
ONLINE, GRENSOVERSCHRIJDEND
TUSSEN BELGIË EN NEDERLAND.

Kunst en cultuur ontwikkelen zich zo snel dat ze zich niet laten binden door ‘bedachte’ bestuurlijke structuren.” En dat leidt tot spanning, vervolgt Jan-Hein. “Als ik kijk naar mijn eigen Roosendaal, dan zie je dat we hier voorstellingen programmeren die niet eens in het Chassé Theater in Breda komen. Neem de nieuwe musical ’t Schaep met de 5 Pooten: die staat in het DeLaMar Theater in Amsterdam, in het Nieuwe Luxor Theater in Rotterdam én in De Kring in Roosendaal. In die zin is onze middenpositie misschien wel een voordeel: je gaat je afzetten tegen de grote vijf. Zo van: jullie mogen dan wel het economische kapitaal hebben, wij hebben het culturele kapitaal.”

Ook als het gaat om nieuwe ontwikkelingen loopt Brabantstad het gevaar ‘blind te worden’, denkt Jan-Hein. “Er gebeurt in Brabant van alles: buiten de steden, online, grensoverschrijdend tussen België en Nederland. Allemaal zaken die je niet terugziet in het regioprofiel, die overduidelijk is opgesteld door traditionele beleidsmakers; de Brabander is daar volstrekt niet in geraadpleegd. En dat terwijl de helft van de inkomsten van mijn theater toch echt wordt opgebracht door diezelfde cultuurconsument. Ik probeer daarom wél naar die – potentiële – bezoeker te luisteren, bijvoorbeeld door ook bekende YouTubers een plek te geven op ons podium. Dat soort dingen zie je allemaal niet terug in de basisinfrastructuur voor cultuur. Het meeste geld gaat naar gevestigde instanties, die weten hoe ze subsidie moeten aanvragen en die een goed netwerk hebben. Jonge, upcoming kunstenaars komen daar niet tussen, waardoor er nauwelijks sprake is van vernieuwing en je een heel voorspelbaar profiel krijgt.”

Theaterkijkers

Evert herkent het verhaal van Jan-Hein. “De formele infrastructuur, de gecanoniseerde kunst, het gesubsidieerde circuit: het is allemaal nogal behoudend. Wat ik wel interessant vind is wat Jan-Hein zegt over zijn bezoekers; dat die de helft van de inkomsten van het theater voor hun rekening nemen. Krijgen die daarmee rechtstreeks een stem in de programmering?” Ja en nee, schetst Jan-Hein. “Mensen direct een stem te geven in de programmering is ingewikkeld. Maar we werken als theater bijvoorbeeld wel met Theaterkijkers: een groep van zo’n 35 jongeren tussen de 14 en 25 jaar, die minimaal één keer per maand een voorstelling bezoeken en daar vervolgens hun mening over geven. Zo houden we als directie de vinger aan de pols voor wat de jongere generatie interessant vindt, wat je ook terugziet in de sterke groei van het aantal jongere bezoekers.


DE FORMELE INFRASTRUCTUUR,
DE GECANONISEERDE KUNST,
HET GESUBSIDIEERDE CIRCUIT:
HET IS ALLEMAAL NOG BEHOUDEND.

Ook haakten we in 2018 voor het eerst aan bij de Nationale Jongerenherdenking op 4 mei, waarbij we de zaal ter beschikking stelden aan jongeren om er een herdenkingsprogramma samen te stellen. Dat bracht zo 500 jongeren op de been, zónder dat ik me daarmee hoefde te bemoeien. Daarnaast werken we met stadsprogrammeurs; elf gewone mensen uit Roosendaal, die zes keer per jaar een voorstelling ‘voor jan en alleman’ programmeren op dinsdagmiddag. Die middagen – die standaard uitverkocht zijn – gaan alle kanten op: mensen kiezen met hun hart, en dat leidt tot een breed palet aan voorstellingen. Daar blijven we wel over in gesprek – je wil als theater ook niet zes dezelfde voorstellingen hebben –, maar zíj zijn uiteindelijk verantwoordelijk.”

Kruisbestuiving

De dialoog, het naar elkaar luisteren: het zijn thema’s die in Everts onderzoek regelmatig terugkeren. “Kijk, professionele musici zijn zenders: ze kunnen iets heel erg goed, volgen een enorm lange training om te komen waar ze zijn, en willen uiteindelijk niets liever dan die ervaring delen met de rest van de wereld. Van meet af aan leven ze als musicus in een universum waarin zíj, met hun vaardigheid, centraal staan. En dat is een problematische boodschap, denk ik. Musici zitten gevangen in een vraag-aanbodmodel waaraan het moeilijk ontsnappen is. Ook al ga je als musicus meer vraaggericht werken, het blijft een model waarin alles in essentie draait om jou als maker. Eigenlijk zou de hele insteek radicaal anders moeten zijn, vanuit de vraag: hoe kunnen we betekenisvol worden voor elkáár? Wat kunnen wij, musicus en luisteraar, sámen tot stand brengen? Het zijn vragen die nog veel te weinig gesteld worden. Kunstenaars zouden juist die dialoog moeten voeren en zichzelf op het spel moeten durven zetten. Jij bent specialist in muziek, die ander is specialist in zijn eigen leven leiden. Juist die kruisbestuiving kan tot hele mooie dingen leiden.”

“Mooi wat je daar zegt”, vindt Jan-Hein. “Kijk, bij een theater zijn het vaak de directeur en de programmeur die de programmering en het beleid bepalen; zíj zijn het immers die ervoor hebben ‘doorgeleerd’. Hetzelfde zie je bij een conservator in het museum: ook die stelt zichzelf centraal. Terwijl het in essentie eigenlijk draait om andere dingen. Wat is er in een stad aan de hand? En hoe kun je daar op inspelen? Juist die dialoog is – inderdaad – veel interessanter.”

Het gaat erom dat je die ander als inherent waardevol en interessant gaat zien en dat er een gesprek tot stand komt, benadrukt Evert. “Hoe kunnen wij elkaar van dienst zijn? Veel musici en kunstenaars vinden dat heel erg moeilijk, maar voor een onderzoeker als ikzelf is het juist erg interessant als die spanning wordt opgezocht. Zelf heb ik een uit studenten bestaand jazzcombo een project laten uitvoeren in een verzorgingstehuis, met zieke en demente mensen. De opdracht was: bedenk geen programma, maar ga er ter voorbereiding heen zónder instrument. Ga in gesprek met bewoners, medewerkers en directie, en kom op basis dáárvan met een voorstel voor een muzikaal programma. Het enige dat we vroegen was dat deze musici zich zouden verdiepen en oprechte interesse zouden tonen in de mensen voor wie ze zouden gaan spelen. Dat ze hen zouden zien als mens, niet als abstracte doelgroep. Dat gebeurt nu eigenlijk te weinig. Ander voorbeeld: ik heb al tijden een idee voor een project waarbij jazzstudenten levensliedzangers begeleiden. Die zangers werken nu altijd met een orkestband, dat is nu eenmaal makkelijker en goedkoper. Ik zou die twee werelden bij elkaar willen brengen en die zanger en de studenten sámen willen laten nadenken over de vraag hoe ze elkaar kunnen versterken. Laat ze maar eens de dialoog met elkaar aangaan en kijk wat er gebeurt.”


HET GAAT EROM DAT JE DIE
ANDER ALS INHERENT WAARDEVOL EN
INTERESSANT GAAT ZIEN EN DAT ER
EEN GESPREK TOT STAND KOMT.

Meer schuren

De cultuursector staat toch nog altijd vooral in de zendstand, beaamt Jan-Hein. “Zo van: wíj zijn de professionals, wíj hebben ervoor doorgeleerd.” Het lastige is dat er een soort algemene opvatting bestaat over wat kunst en cultuur in essentie zijn, constateert Evert. “In het dagelijks leven is muziek vooral géén kunst; het is een duizenddingendoekje dat iedereen op zijn eigen manier gebruikt om zichzelf te bevestigen, zichzelf met de wereld te verbinden, en om zijn of haar leven te reguleren. We gebruiken muziek als achtergrond bij het huiswerk maken, om op te dansen, of om onze ouders dwars te zitten. De officiële cultuur, de samenleving, ziet muziek als een specialistisch, artistiek-expressief ambacht. Niemand spreekt dat echt expliciet uit, maar het is belichaamd in allerlei instituties; in het beleid van de overheid, in het hele subsidiespeelveld, in de pers en in het onderwijs. Daarom is het ook zo moeilijk om uit die zendstand te komen; de manier waarop we naar kunst en cultuur kijken zit bijna genetisch in ons. Dat geldt ook voor studenten aan het conservatorium, de top van onze muziek-pedagogische piramide: het is enorm lastig om ze uit die zendstand te krijgen. Ik geloof dat díe mismatch een van de belangrijkste redenen is voor de spanningen in de huidige professionele muziekwereld.”

Daarop inhakend vertelt Jan-Hein hoe in De Kring jonge conservatoriumstudenten de ruimte krijgen om op te treden voor publiek. “Afgelopen seizoen traden tijdens een zondagochtendconcert twee jonge muzikanten op. Uiteindelijk duurde hun optreden maar negen minuten. Dat ene stuk was nu eenmaal het beste wat ze in huis hadden, dus daar moest het publiek het maar mee doen, vonden ze. De bezoekers lieten zich echter niet wegsturen en bleven rustig zitten. Uiteindelijk kwam er een interessant gesprek op gang tussen theatermaker en bezoeker, met als resultaat dat iederéén rijker uit die voorstelling kwam.”


IN HET DAGELIJKS LEVEN
IS MUZIEK VOORAL GÉÉN KUNST;
HET IS EEN DUIZENDDINGENDOEKJE.

Een student van Evert, uit Israël, besloot onderzoek te doen naar een prehistorisch volk uit zijn geboorteregio en op basis daarvan een muziekstuk te schrijven. “Die jongen verdiepte zich in de context en verbond zich aan een bepaalde plek en een bepaalde tijd. Daarmee heb je goud in handen, zei ik tegen hem. Stel dat het Hunebedcentrum in Drenthe vraagt of je een receptie wilt komen opluisteren, dan kun jij hen nu iets veel beters bieden dan wat willekeurig gekozen muziekstukken. Sterker nog, je zou zo’n muziekstuk kunnen oprekken: tot themamuziek tijdens een gehele conferentie, of zelfs tot een community music-project van drie dagen. Het kan alles worden wat je maar wil. Het kost tijd en energie, maar dan heb je wél iets dat veel relevanter is dan een paar jazzmuzikanten die staan te spelen tijdens een borrel.”

Inclusiviteit?

Cultuur draait kortom om dialoog en ontmoeting en het zoeken naar wederzijdse betekenis. “Er is per definitie niet één verhaal”, benadrukt Evert. “Cultuur is niet alleen wat ons bindt, maar vooral ook wat ons scheidt, waar we ruzie over kunnen maken. Dat is ook een beetje het probleem dat ik heb met een term als ‘de gemeenschap’. Als je dat opvat als ‘we doen alles met elkaar’, dan heb ik daar niet zoveel mee. Als je het opvat als ‘we moeten het met elkaar doen’, dan kunnen we dus niet zonder interesse in elkaar en zullen we wel met elkaar in gesprek moeten gaan. Dán vind ik het een interessant concept. Inclusiviteit, nog zo’n begrip. Dat riekt al snel naar ‘kom maar met óns meedoen’.” Jan-Hein knikt: “Inclusiviteit betekent al snel dat je geen oog hebt voor de ander. Het is toch een beetje van: je mag meedoen, maar alléén als je doet wat ik ook doe.”

Alle lovenswaardige initiatieven om de kloof tussen overheid en burger en tussen elite en volk te overbruggen en zo die vurig gewenste dialoog te stimuleren ten spijt, blijft de indruk bestaan dat het huidige (cultuur)beleid nog te weinig over ‘ons’ gaat. Het brengt ons op VVD-kamerlid Thierry Aartsen. De Bredanaar pleitte onlangs voor meer subsidie voor volkscultuur en immaterieel erfgoed als carnavalsverenigingen, schutterijen en bloemencorso’s, ten nadele van grote culturele instellingen. Evert volgde de hele discussie met belangstelling en schreef er ook een opiniestuk over. “Aartsen werkt met zijn pleidooi mee aan een tweedeling die niet bestaat en die op zich ook niet interessant is. Natuurlijk, de door Aartsen gepresenteerde feiten over bezoekcijfers en subsidiestromen van het Concertgebouw klopten niet. Maar de culturele sector schiet standaard in een kramp en probeert de boodschap als fact free af te serveren – in de hoop hem zo onschadelijk te maken. Maar wat Aartsen éigenlijk zegt is: jullie luisteren alleen maar naar jezelf. Natuurlijk, hij brengt het onbeholpen, vanuit een misplaatst onderbuikgevoel, maar het is wél een boodschap die de naar binnen gekeerde cultuursector serieus zou moeten nemen. We komen er niet met het simpelweg terzijde schuiven van zo’n signaal.”


CULTUUR IS NIET ALLEEN
WAT ONS BINDT, MAAR VOORAL
OOK WAT ONS SCHEIDT, WAAR
WE RUZIE OVER KUNNEN MAKEN.

Jan-Hein herkent die kramp, vult hij aan. “Vroeger ging het zo: als een gemeente een kunstplan wilde, ging een ambtenaar aan de slag. Hij knipte en plakte wat uit andere stukken, keek naar de stad en voegde wat couleur locale toe, en maakte vervolgens een stuk dat in een bureaula verdween. Tegenwoordig wordt er meer gesproken met alle partijen die ertoe doen: met professionals, maar ook met bijvoorbeeld jongeren en mensen met een migratieachtergrond. We zitten momenteel midden in die transitie, al zie je dat niet per se meteen terug in de zaal. Dat is wat mij betreft wel een interessante vraag: hoe komt het dat mensen soms jarenlang lángs een gebouw komen, maar er nog nooit voet over de drempel hebben gezet?”

Zelf probeerde Jan-Hein het door bijvoorbeeld Turkse cabaretiers naar Nederland te halen, maar dat werd geen groot succes. “Met jongeren zie je hetzelfde; het gebouw zelf blijkt vaak toch nog in de weg te zitten. En dat is zonde, want kunst en cultuur gedijen overal. Zo zijn we als theater momenteel in gesprek met het Zuidelijk Toneel over een voorstelling over criminaliteit: niet in het theater, maar op locatie, in een oud gebouw van de NS. Dat is best een grote stap, zeker als je bedenkt dat de gemeente Roosendaal een flinke huursubsidie geeft voor ons pand. In die zin is het wel spannend. Toch blijven we proberen om steeds meer te luisteren naar ‘de ander’.”

Kleine stappen

Een paradigmaverandering is hoe dan ook een kwestie van kleine stappen, denkt Evert. “Het helpt als we mensen – theaterbezoekers, politici, studenten – meer in ongemakkelijke, schurende situaties brengen. Eigenlijk zoals Jan-Hein het doet in Roosendaal. Hen naar plekken brengen waar iets anders gebeurt. Daarom ben ik ook zo’n liefhebber van de middle ground, de laag tussen de gevestigde orde en de underground in. Podia als WORM en Grounds in Rotterdam krijgen weliswaar subsidie en moeten dus ook mee in de hele verantwoordingscyclus en het discours dat daarbij hoort, maar proberen ook dingen te doen die daar niet zo goed bij passen. Waar de underground vooral een onafhankelijke plek voor zichzelf creëert, moet die middle ground zich verhouden tot de onder- én bovenlaag. Juist dáár gaat het dus schuren en gebeuren er interessante dingen. En dan ontstaat die dialoog uiteindelijk vanzelf .  

website evert bisschop boele
website jan-hein sloesen

Hoe kunnen we betekenisvol worden voor elkáár?

Cultuurinstellingen proberen steeds meer oog te hebben voor wat er om hen heen gebeurt en de ‘stem van het volk’ zo goed mogelijk te vertalen naar museum of theaterzaal. Tegelijkertijd worstelen veel professionele kunstenaars met de vraag hoe zij en hun publiek betekenisvol kunnen worden voor elkáár. Wat kunnen zij, maker en consument, sámen tot stand brengen? En hoe kom je uit de traditionele zendstand en het aloude vraag-aanbodmodel? Een gesprek tussen Evert Bisschop Boele & Jan-Hein Sloesen over het belang van de dialoog en de ontmoeting.

Midden in het centrum van Roosendaal zetelt al ruim honderd jaar concertzaal/schouwburg De Kring. Het theater behoort tot de grootste tien schouwburgen in Nederland, waarmee Roosendaal – met zo’n 85.000 inwoners de 41e gemeente van ons land – het in cultureel opzicht helemaal niet zo slecht doet.

Cultureel kapitaal

En toch is het voor een middelgrote Brabantse gemeente als Roosendaal soms lastig om haar stem luid en duidelijk te laten horen, constateert Jan-Hein Sloesen, inmiddels zo’n anderhalf jaar directeur van De Kring. “Als gemeente behoren we namelijk niet tot Brabantstad: de Brabantse stedenrij Breda, Tilburg, Den Bosch, Eindhoven en Helmond. Die ‘grote vijf’ vergaderen regelmatig met elkaar in allerlei samenstellingen, waarna middelgrote steden als Roosendaal in het laatste uur óók nog even mogen aanschuiven. Uiteindelijk is Brabantstad een bedacht samenwerkingsverband, dat vooral tot stand is gekomen omdat het handig en overzichtelijk is en omdat deze vijf steden de meeste inwoners per stad en het meeste economische kapitaal hebben.


ER GEBEURT IN BRABANT
VAN ALLES: BUITEN DE STEDEN,
ONLINE, GRENSOVERSCHRIJDEND
TUSSEN BELGIË EN NEDERLAND.

Kunst en cultuur ontwikkelen zich zo snel dat ze zich niet laten binden door ‘bedachte’ bestuurlijke structuren.” En dat leidt tot spanning, vervolgt Jan-Hein. “Als ik kijk naar mijn eigen Roosendaal, dan zie je dat we hier voorstellingen programmeren die niet eens in het Chassé Theater in Breda komen. Neem de nieuwe musical ’t Schaep met de 5 Pooten: die staat in het DeLaMar Theater in Amsterdam, in het Nieuwe Luxor Theater in Rotterdam én in De Kring in Roosendaal. In die zin is onze middenpositie misschien wel een voordeel: je gaat je afzetten tegen de grote vijf. Zo van: jullie mogen dan wel het economische kapitaal hebben, wij hebben het culturele kapitaal.”

Ook als het gaat om nieuwe ontwikkelingen loopt Brabantstad het gevaar ‘blind te worden’, denkt Jan-Hein. “Er gebeurt in Brabant van alles: buiten de steden, online, grensoverschrijdend tussen België en Nederland. Allemaal zaken die je niet terugziet in het regioprofiel, die overduidelijk is opgesteld door traditionele beleidsmakers; de Brabander is daar volstrekt niet in geraadpleegd. En dat terwijl de helft van de inkomsten van mijn theater toch echt wordt opgebracht door diezelfde cultuurconsument. Ik probeer daarom wél naar die – potentiële – bezoeker te luisteren, bijvoorbeeld door ook bekende YouTubers een plek te geven op ons podium. Dat soort dingen zie je allemaal niet terug in de basisinfrastructuur voor cultuur. Het meeste geld gaat naar gevestigde instanties, die weten hoe ze subsidie moeten aanvragen en die een goed netwerk hebben. Jonge, upcoming kunstenaars komen daar niet tussen, waardoor er nauwelijks sprake is van vernieuwing en je een heel voorspelbaar profiel krijgt.”

Theaterkijkers

Evert herkent het verhaal van Jan-Hein. “De formele infrastructuur, de gecanoniseerde kunst, het gesubsidieerde circuit: het is allemaal nogal behoudend. Wat ik wel interessant vind is wat Jan-Hein zegt over zijn bezoekers; dat die de helft van de inkomsten van het theater voor hun rekening nemen. Krijgen die daarmee rechtstreeks een stem in de programmering?” Ja en nee, schetst Jan-Hein. “Mensen direct een stem te geven in de programmering is ingewikkeld. Maar we werken als theater bijvoorbeeld wel met Theaterkijkers: een groep van zo’n 35 jongeren tussen de 14 en 25 jaar, die minimaal één keer per maand een voorstelling bezoeken en daar vervolgens hun mening over geven. Zo houden we als directie de vinger aan de pols voor wat de jongere generatie interessant vindt, wat je ook terugziet in de sterke groei van het aantal jongere bezoekers.


DE FORMELE INFRASTRUCTUUR,
DE GECANONISEERDE KUNST,
HET GESUBSIDIEERDE CIRCUIT:
HET IS ALLEMAAL NOG BEHOUDEND.

Ook haakten we in 2018 voor het eerst aan bij de Nationale Jongerenherdenking op 4 mei, waarbij we de zaal ter beschikking stelden aan jongeren om er een herdenkingsprogramma samen te stellen. Dat bracht zo 500 jongeren op de been, zónder dat ik me daarmee hoefde te bemoeien. Daarnaast werken we met stadsprogrammeurs; elf gewone mensen uit Roosendaal, die zes keer per jaar een voorstelling ‘voor jan en alleman’ programmeren op dinsdagmiddag. Die middagen – die standaard uitverkocht zijn – gaan alle kanten op: mensen kiezen met hun hart, en dat leidt tot een breed palet aan voorstellingen. Daar blijven we wel over in gesprek – je wil als theater ook niet zes dezelfde voorstellingen hebben –, maar zíj zijn uiteindelijk verantwoordelijk.”

Kruisbestuiving

De dialoog, het naar elkaar luisteren: het zijn thema’s die in Everts onderzoek regelmatig terugkeren. “Kijk, professionele musici zijn zenders: ze kunnen iets heel erg goed, volgen een enorm lange training om te komen waar ze zijn, en willen uiteindelijk niets liever dan die ervaring delen met de rest van de wereld. Van meet af aan leven ze als musicus in een universum waarin zíj, met hun vaardigheid, centraal staan. En dat is een problematische boodschap, denk ik. Musici zitten gevangen in een vraag-aanbodmodel waaraan het moeilijk ontsnappen is. Ook al ga je als musicus meer vraaggericht werken, het blijft een model waarin alles in essentie draait om jou als maker. Eigenlijk zou de hele insteek radicaal anders moeten zijn, vanuit de vraag: hoe kunnen we betekenisvol worden voor elkáár? Wat kunnen wij, musicus en luisteraar, sámen tot stand brengen? Het zijn vragen die nog veel te weinig gesteld worden. Kunstenaars zouden juist die dialoog moeten voeren en zichzelf op het spel moeten durven zetten. Jij bent specialist in muziek, die ander is specialist in zijn eigen leven leiden. Juist die kruisbestuiving kan tot hele mooie dingen leiden.”

“Mooi wat je daar zegt”, vindt Jan-Hein. “Kijk, bij een theater zijn het vaak de directeur en de programmeur die de programmering en het beleid bepalen; zíj zijn het immers die ervoor hebben ‘doorgeleerd’. Hetzelfde zie je bij een conservator in het museum: ook die stelt zichzelf centraal. Terwijl het in essentie eigenlijk draait om andere dingen. Wat is er in een stad aan de hand? En hoe kun je daar op inspelen? Juist die dialoog is – inderdaad – veel interessanter.”

Het gaat erom dat je die ander als inherent waardevol en interessant gaat zien en dat er een gesprek tot stand komt, benadrukt Evert. “Hoe kunnen wij elkaar van dienst zijn? Veel musici en kunstenaars vinden dat heel erg moeilijk, maar voor een onderzoeker als ikzelf is het juist erg interessant als die spanning wordt opgezocht. Zelf heb ik een uit studenten bestaand jazzcombo een project laten uitvoeren in een verzorgingstehuis, met zieke en demente mensen. De opdracht was: bedenk geen programma, maar ga er ter voorbereiding heen zónder instrument. Ga in gesprek met bewoners, medewerkers en directie, en kom op basis dáárvan met een voorstel voor een muzikaal programma. Het enige dat we vroegen was dat deze musici zich zouden verdiepen en oprechte interesse zouden tonen in de mensen voor wie ze zouden gaan spelen. Dat ze hen zouden zien als mens, niet als abstracte doelgroep. Dat gebeurt nu eigenlijk te weinig. Ander voorbeeld: ik heb al tijden een idee voor een project waarbij jazzstudenten levensliedzangers begeleiden. Die zangers werken nu altijd met een orkestband, dat is nu eenmaal makkelijker en goedkoper. Ik zou die twee werelden bij elkaar willen brengen en die zanger en de studenten sámen willen laten nadenken over de vraag hoe ze elkaar kunnen versterken. Laat ze maar eens de dialoog met elkaar aangaan en kijk wat er gebeurt.”


HET GAAT EROM DAT JE DIE
ANDER ALS INHERENT WAARDEVOL EN
INTERESSANT GAAT ZIEN EN DAT ER
EEN GESPREK TOT STAND KOMT.

Meer schuren

De cultuursector staat toch nog altijd vooral in de zendstand, beaamt Jan-Hein. “Zo van: wíj zijn de professionals, wíj hebben ervoor doorgeleerd.” Het lastige is dat er een soort algemene opvatting bestaat over wat kunst en cultuur in essentie zijn, constateert Evert. “In het dagelijks leven is muziek vooral géén kunst; het is een duizenddingendoekje dat iedereen op zijn eigen manier gebruikt om zichzelf te bevestigen, zichzelf met de wereld te verbinden, en om zijn of haar leven te reguleren. We gebruiken muziek als achtergrond bij het huiswerk maken, om op te dansen, of om onze ouders dwars te zitten. De officiële cultuur, de samenleving, ziet muziek als een specialistisch, artistiek-expressief ambacht. Niemand spreekt dat echt expliciet uit, maar het is belichaamd in allerlei instituties; in het beleid van de overheid, in het hele subsidiespeelveld, in de pers en in het onderwijs. Daarom is het ook zo moeilijk om uit die zendstand te komen; de manier waarop we naar kunst en cultuur kijken zit bijna genetisch in ons. Dat geldt ook voor studenten aan het conservatorium, de top van onze muziek-pedagogische piramide: het is enorm lastig om ze uit die zendstand te krijgen. Ik geloof dat díe mismatch een van de belangrijkste redenen is voor de spanningen in de huidige professionele muziekwereld.”

Daarop inhakend vertelt Jan-Hein hoe in De Kring jonge conservatoriumstudenten de ruimte krijgen om op te treden voor publiek. “Afgelopen seizoen traden tijdens een zondagochtendconcert twee jonge muzikanten op. Uiteindelijk duurde hun optreden maar negen minuten. Dat ene stuk was nu eenmaal het beste wat ze in huis hadden, dus daar moest het publiek het maar mee doen, vonden ze. De bezoekers lieten zich echter niet wegsturen en bleven rustig zitten. Uiteindelijk kwam er een interessant gesprek op gang tussen theatermaker en bezoeker, met als resultaat dat iederéén rijker uit die voorstelling kwam.”


IN HET DAGELIJKS LEVEN
IS MUZIEK VOORAL GÉÉN KUNST;
HET IS EEN DUIZENDDINGENDOEKJE.

Een student van Evert, uit Israël, besloot onderzoek te doen naar een prehistorisch volk uit zijn geboorteregio en op basis daarvan een muziekstuk te schrijven. “Die jongen verdiepte zich in de context en verbond zich aan een bepaalde plek en een bepaalde tijd. Daarmee heb je goud in handen, zei ik tegen hem. Stel dat het Hunebedcentrum in Drenthe vraagt of je een receptie wilt komen opluisteren, dan kun jij hen nu iets veel beters bieden dan wat willekeurig gekozen muziekstukken. Sterker nog, je zou zo’n muziekstuk kunnen oprekken: tot themamuziek tijdens een gehele conferentie, of zelfs tot een community music-project van drie dagen. Het kan alles worden wat je maar wil. Het kost tijd en energie, maar dan heb je wél iets dat veel relevanter is dan een paar jazzmuzikanten die staan te spelen tijdens een borrel.”

Inclusiviteit?

Cultuur draait kortom om dialoog en ontmoeting en het zoeken naar wederzijdse betekenis. “Er is per definitie niet één verhaal”, benadrukt Evert. “Cultuur is niet alleen wat ons bindt, maar vooral ook wat ons scheidt, waar we ruzie over kunnen maken. Dat is ook een beetje het probleem dat ik heb met een term als ‘de gemeenschap’. Als je dat opvat als ‘we doen alles met elkaar’, dan heb ik daar niet zoveel mee. Als je het opvat als ‘we moeten het met elkaar doen’, dan kunnen we dus niet zonder interesse in elkaar en zullen we wel met elkaar in gesprek moeten gaan. Dán vind ik het een interessant concept. Inclusiviteit, nog zo’n begrip. Dat riekt al snel naar ‘kom maar met óns meedoen’.” Jan-Hein knikt: “Inclusiviteit betekent al snel dat je geen oog hebt voor de ander. Het is toch een beetje van: je mag meedoen, maar alléén als je doet wat ik ook doe.”

Alle lovenswaardige initiatieven om de kloof tussen overheid en burger en tussen elite en volk te overbruggen en zo die vurig gewenste dialoog te stimuleren ten spijt, blijft de indruk bestaan dat het huidige (cultuur)beleid nog te weinig over ‘ons’ gaat. Het brengt ons op VVD-kamerlid Thierry Aartsen. De Bredanaar pleitte onlangs voor meer subsidie voor volkscultuur en immaterieel erfgoed als carnavalsverenigingen, schutterijen en bloemencorso’s, ten nadele van grote culturele instellingen. Evert volgde de hele discussie met belangstelling en schreef er ook een opiniestuk over. “Aartsen werkt met zijn pleidooi mee aan een tweedeling die niet bestaat en die op zich ook niet interessant is. Natuurlijk, de door Aartsen gepresenteerde feiten over bezoekcijfers en subsidiestromen van het Concertgebouw klopten niet. Maar de culturele sector schiet standaard in een kramp en probeert de boodschap als fact free af te serveren – in de hoop hem zo onschadelijk te maken. Maar wat Aartsen éigenlijk zegt is: jullie luisteren alleen maar naar jezelf. Natuurlijk, hij brengt het onbeholpen, vanuit een misplaatst onderbuikgevoel, maar het is wél een boodschap die de naar binnen gekeerde cultuursector serieus zou moeten nemen. We komen er niet met het simpelweg terzijde schuiven van zo’n signaal.”


CULTUUR IS NIET ALLEEN
WAT ONS BINDT, MAAR VOORAL
OOK WAT ONS SCHEIDT, WAAR
WE RUZIE OVER KUNNEN MAKEN.

Jan-Hein herkent die kramp, vult hij aan. “Vroeger ging het zo: als een gemeente een kunstplan wilde, ging een ambtenaar aan de slag. Hij knipte en plakte wat uit andere stukken, keek naar de stad en voegde wat couleur locale toe, en maakte vervolgens een stuk dat in een bureaula verdween. Tegenwoordig wordt er meer gesproken met alle partijen die ertoe doen: met professionals, maar ook met bijvoorbeeld jongeren en mensen met een migratieachtergrond. We zitten momenteel midden in die transitie, al zie je dat niet per se meteen terug in de zaal. Dat is wat mij betreft wel een interessante vraag: hoe komt het dat mensen soms jarenlang lángs een gebouw komen, maar er nog nooit voet over de drempel hebben gezet?”

Zelf probeerde Jan-Hein het door bijvoorbeeld Turkse cabaretiers naar Nederland te halen, maar dat werd geen groot succes. “Met jongeren zie je hetzelfde; het gebouw zelf blijkt vaak toch nog in de weg te zitten. En dat is zonde, want kunst en cultuur gedijen overal. Zo zijn we als theater momenteel in gesprek met het Zuidelijk Toneel over een voorstelling over criminaliteit: niet in het theater, maar op locatie, in een oud gebouw van de NS. Dat is best een grote stap, zeker als je bedenkt dat de gemeente Roosendaal een flinke huursubsidie geeft voor ons pand. In die zin is het wel spannend. Toch blijven we proberen om steeds meer te luisteren naar ‘de ander’.”

Kleine stappen

Een paradigmaverandering is hoe dan ook een kwestie van kleine stappen, denkt Evert. “Het helpt als we mensen – theaterbezoekers, politici, studenten – meer in ongemakkelijke, schurende situaties brengen. Eigenlijk zoals Jan-Hein het doet in Roosendaal. Hen naar plekken brengen waar iets anders gebeurt. De middle ground, de laag tussen de gevestigde orde en de underground, moet zich tot beide lagen verhouden. Juist dáár schuurt het en gebeuren interessante dingen. En dan ontstaat die dialoog uiteindelijk vanzelf.”

website evert bisschop boele
website jan-hein sloesen
Top