Scroll to top
11 juni 2019

Achtbaanrit

Ontmoeting met Nabil Aoulad Ayad

11 juni 2019

Achtbaanrit

Ontmoeting met Nabil Aoulad Ayad

Zijn G is verhard. Twee uur praten op een Brabants terras verzacht hem echter moeiteloos. Een gesprek met cabaretier Nabil Aoulad Ayad [1984] over zijn jeugd, wij/zij en het Brabantse monopolie op comedy.

Al ruim vijftien jaar woont hij in Amsterdam. Maar vrijwel elke week reist hij zuidwaarts. Naar Waalwijk alias Wolluk, waar zijn wieg stond. Zijn moeder woont er nog altijd. Onbewolkt was Nabils jeugd niet. Kijk, hoog in de lucht: daar zit zijn vader. Op een wolk die hem te vroeg kwam halen, maar die nog vaak over de Langstraat drijft. Negen was Nabil, toen zijn vader stierf. Een kippenslachter, die op een dag zijn eigen restaurant was begonnen. “Ik ben de oudste zoon. Bij het condoleren keken sommigen me doordringend aan. Voortaan had ik het gezin te beschermen.”

Zijn G is verhard. Twee uur praten op een Brabants terras verzacht hem echter moeiteloos. Een gesprek met cabaretier Nabil Aoulad Ayad [1984] over zijn jeugd, wij/zij en het Brabantse monopolie op comedy.

Al ruim vijftien jaar woont hij in Amsterdam. Maar vrijwel elke week reist hij zuidwaarts. Naar Waalwijk alias Wolluk, waar zijn wieg stond. Zijn moeder woont er nog altijd. Onbewolkt was Nabils jeugd niet. Kijk, hoog in de lucht: daar zit zijn vader. Op een wolk die hem te vroeg kwam halen, maar die nog vaak over de Langstraat drijft. Negen was Nabil, toen zijn vader stierf. Een kippenslachter, die op een dag zijn eigen restaurant was begonnen. “Ik ben de oudste zoon. Bij het condoleren keken sommigen me doordringend aan. Voortaan had ik het gezin te beschermen.”

Al ruim vijftien jaar woont hij in Amsterdam. Maar vrijwel elke week reist hij zuidwaarts. Naar Waalwijk alias Wolluk, waar zijn wieg stond. Zijn moeder woont er nog altijd. Onbewolkt was Nabils jeugd niet. Kijk, hoog in de lucht: daar zit zijn vader. Op een wolk die hem te vroeg kwam halen, maar die nog vaak over de Langstraat drijft. Negen was Nabil, toen zijn vader stierf. Een kippenslachter, die op een dag zijn eigen restaurant was begonnen. “Ik ben de oudste zoon. Bij het condoleren keken sommigen me doordringend aan. Voortaan had ik het gezin te beschermen.”

Een flinke klus: een moeder die geen woord Nederlands sprak en vijf broertjes en zusjes. Hun huis stond in de zogeheten Rode en Witte Wijk. Een huphollandhup- en stoepzwembadjesbuurt, waar velen in de overtuiging leefden dat voorbij het Drielandenpunt slechts ravijnige diepte wachtte. De familie Aoulad Ayad vormde het enige Marokkaanse gezin. In deze wijk ontdekte Nabil dat armoede in kennis en kansen vaak samengaat met kortzichtigheid. Maar niet alleen bij bozige autochtone mannen en vrouwen: “Een Turkse vriend van me roept voortdurend dat Amerika schuld aan alles heeft. Is er zelf nooit geweest, leest amper kranten. Er zijn veel boze nepdeskundigen die het liefst zichzelf beklagen. Ondertussen zoeken ze excuses voor hun mislukte leven. Dankzij sociale media hebben ze een podium. Slachtofferschap en tekort aan kennis is een enge combinatie.”

Gabbers

Tussen zijn vijftiende en achttiende trok hij veel met Waalwijkse gabbers op. Laag zelfbeeld, gekarteltande kijk op de wereld. In hun gezelschap ontdekte Nabil hoe racisme het leven verontrustend overzichtelijk maakt: “Hun uitgangspunt was: wie zwart is, is dom maar kan goed dansen en eet graag meloen en kip.

“Toch waren het geen slechte gasten. Ze kregen klappen, letterlijk en figuurlijk. Dat werd in harde humor omgezet, waarbij het de kunst was om elkaar te overtreffen.”

Zo werkt het. Humor is therapie. Dat gold ook voor mij: ik zette allerlei schaamtes om in grappen.”
Maar Waalwijk werd te krap. Hij wilde meer, groter. Zijn droom: werken in de wereld van media en cultuur. In 2004 verhuisde Nabil naar Amsterdam. In z’n eentje. Hij kreeg een kamer in de straat waar Theo van Gogh enkele weken later zou eindigen: de Linnaeusstraat. Sindsdien kan Nabil de krachtterm ‘kutmarokkaan’ op bijna honderd meter afstand liplezen. “Heftige tijd,” zegt hij, “al begon het opdelen in wij en zij al met 9/11.” Toch heeft-ie geen zin om in de roestige spijker van de tweedracht te trappen. Hij beoordeelt mensen op wie ze zijn en niet op hun herkomst, zegt hij. Het klinkt haast herderlijk, maar de tegelwijsheid ‘Zoek het bij jezelf’ is hem kostbaar. Eerst reflectie. Iemand een week de jeuk van een bos Brabantse brandnetels toewensen kan altijd nog.

Al ruim vijftien jaar woont hij in Amsterdam. Maar vrijwel elke week reist hij zuidwaarts. Naar Waalwijk alias Wolluk, waar zijn wieg stond. Zijn moeder woont er nog altijd. Onbewolkt was Nabils jeugd niet. Kijk, hoog in de lucht: daar zit zijn vader. Op een wolk die hem te vroeg kwam halen, maar die nog vaak over de Langstraat drijft. Negen was Nabil, toen zijn vader stierf. Een kippenslachter, die op een dag zijn eigen restaurant was begonnen. “Ik ben de oudste zoon. Bij het condoleren keken sommigen me doordringend aan. Voortaan had ik het gezin te beschermen.”

Een flinke klus: een moeder die geen woord Nederlands sprak en vijf broertjes en zusjes. Hun huis stond in de zogeheten Rode en Witte Wijk. Een huphollandhup- en stoepzwembadjesbuurt, waar velen in de overtuiging leefden dat voorbij het Drielandenpunt slechts ravijnige diepte wachtte. De familie Aoulad Ayad vormde het enige Marokkaanse gezin. In deze wijk ontdekte Nabil dat armoede in kennis en kansen vaak samengaat met kortzichtigheid. Maar niet alleen bij bozige autochtone mannen en vrouwen: “Een Turkse vriend van me roept voortdurend dat Amerika schuld aan alles heeft. Is er zelf nooit geweest, leest amper kranten. Er zijn veel boze nepdeskundigen die het liefst zichzelf beklagen. Ondertussen zoeken ze excuses voor hun mislukte leven. Dankzij sociale media hebben ze een podium. Slachtofferschap en tekort aan kennis is een enge combinatie.”

Gabbers

Tussen zijn vijftiende en achttiende trok hij veel met Waalwijkse gabbers op. Laag zelfbeeld, gekarteltande kijk op de wereld. In hun gezelschap ontdekte Nabil hoe racisme het leven verontrustend overzichtelijk maakt: “Hun uitgangspunt was: wie zwart is, is dom maar kan goed dansen en eet graag meloen en kip.

“Toch waren het geen slechte gasten. Ze kregen klappen, letterlijk en figuurlijk. Dat werd in harde humor omgezet, waarbij het de kunst was om elkaar te overtreffen.”

Zo werkt het. Humor is therapie. Dat gold ook voor mij: ik zette allerlei schaamtes om in grappen.”
Maar Waalwijk werd te krap. Hij wilde meer, groter. Zijn droom: werken in de wereld van media en cultuur. In 2004 verhuisde Nabil naar Amsterdam. In z’n eentje. Hij kreeg een kamer in de straat waar Theo van Gogh enkele weken later zou eindigen: de Linnaeusstraat. Sindsdien kan Nabil de krachtterm ‘kutmarokkaan’ op bijna honderd meter afstand liplezen. “Heftige tijd,” zegt hij, “al begon het opdelen in wij en zij al met 9/11.” Toch heeft-ie geen zin om in de roestige spijker van de tweedracht te trappen. Hij beoordeelt mensen op wie ze zijn en niet op hun herkomst, zegt hij. Het klinkt haast herderlijk, maar de tegelwijsheid ‘Zoek het bij jezelf’ is hem kostbaar. Eerst reflectie. Iemand een week de jeuk van een bos Brabantse brandnetels toewensen kan altijd nog.

Intimiderend

Opeens klonk applaus. In 2006. Nabil deed mee aan het Nederlands Kampioenschap Human Beatbox en won. Alexander Pechtold liet hij in ‘De Wereld Draait Door’ zelfs lipploffen, keelklikken en tongroffelen. Dat succes zette Nabil in het licht: zonder toneelschooldiploma kon hij aan de slag in tv-series, waaronder ‘Onderweg naar morgen’ en ‘De Co-assistent’. “Aanvankelijk werd ik getypecast als Marokkaan. Van dief en verkrachter tot terrorist. Nee, niet erg. Het is onderaan beginnen.”

“Het human beatboxen schoot erbij in. Maar het smakgeluid van dit-is-om-te-zoenen bewaarde Nabil.”

Voor cabaret, zijn grote passie, die hem naar onder meer Comedy Explosion, ‘BAAS Raymann’ en ‘Alpacas’ leidde. Nadat hij de finale van het Leids Cabaret Festival 2015 had weten te behalen, ging hij op eigen kracht verder. “Mijn moeder zei vaak: ‘Als je iets wil veranderen, moet je eigen baas zijn.’ Ze heeft gelijk. Altijd, eigenlijk.”

Slingeren

Locatie van het interview: het terras van eetcafé Kandinksy in Waalwijk. Koffie, thee of iets anders slaat hij vriendelijk af. Nabil, die moslim is, houdt ramadan. Toch is een hamvraag onvermijdelijk: waarom komen intimiderend veel cabaretiers en stand-upcomedians uit Brabant? De rij namen is lang: van Hans Teeuwen, Theo Maassen en Leon van der Zanden tot Guido Weijers, Karin Bruers en Henry van Loon. Om niet te zwijgen over Jeroen van Koningsbrugge, Marc-Marie Huijbregts, Fuad Hassen en Max van den Burg.
Nee, in het drinkwater kan het niet zetten; dan zou ook Guus Meeuwis leuk moeten zijn. Toch een poging tot duiding. Volgens Nabil zijn Brabanders meesters in het spel met dimensies en meerlagigheid. Ze overdrijven graag of vloeren hun publiek met understatements.

Intimiderend

Opeens klonk applaus. In 2006. Nabil deed mee aan het Nederlands Kampioenschap Human Beatbox en won. Alexander Pechtold liet hij in ‘De Wereld Draait Door’ zelfs lipploffen, keelklikken en tongroffelen. Dat succes zette Nabil in het licht: zonder toneelschooldiploma kon hij aan de slag in tv-series, waaronder ‘Onderweg naar morgen’ en ‘De Co-assistent’. “Aanvankelijk werd ik getypecast als Marokkaan. Van dief en verkrachter tot terrorist. Nee, niet erg. Het is onderaan beginnen.”

“Het human beatboxen schoot erbij in. Maar het smakgeluid van dit-is-om-te-zoenen bewaarde Nabil.”

Voor cabaret, zijn grote passie, die hem naar onder meer Comedy Explosion, ‘BAAS Raymann’ en ‘Alpacas’ leidde. Nadat hij de finale van het Leids Cabaret Festival 2015 had weten te behalen, ging hij op eigen kracht verder. “Mijn moeder zei vaak: ‘Als je iets wil veranderen, moet je eigen baas zijn.’ Ze heeft gelijk. Altijd, eigenlijk.”

Slingeren

Locatie van het interview: het terras van eetcafé Kandinksy in Waalwijk. Koffie, thee of iets anders slaat hij vriendelijk af. Nabil, die moslim is, houdt ramadan. Toch is een hamvraag onvermijdelijk: waarom komen intimiderend veel cabaretiers en stand-upcomedians uit Brabant? De rij namen is lang: van Hans Teeuwen, Theo Maassen en Leon van der Zanden tot Guido Weijers, Karin Bruers en Henry van Loon. Om niet te zwijgen over Jeroen van Koningsbrugge, Marc-Marie Huijbregts, Fuad Hassen en Max van den Burg.
Nee, in het drinkwater kan het niet zetten; dan zou ook Guus Meeuwis leuk moeten zijn. Toch een poging tot duiding. Volgens Nabil zijn Brabanders meesters in het spel met dimensies en meerlagigheid. Ze overdrijven graag of vloeren hun publiek met understatements.

“Vaak leunen hun voorstellingen sterk op het zintuiglijke, beeldende taal en kronkelige verhaallijnen. Het is zeldzaam dat Brabantse cabaretiers recht op het doel afgaan.”

“Stel dat mijn punchline parasol is, dan ga ik dat toch niet snel weggeven? Dan wil ik omsingelen, afleiden, schijnbewegingen maken, versnellen.” Eindbestemming: scoren, met glimlach. Geheel volgens de klassieke Brabantse stijl van communiceren.

Zelfspot

De nationale sympathie voor Brabantse cabaretiers is een extra voordeel. “Als Brabander kun je echt overal spelen. De gunningsfactor bij het publiek is groot. Dat gebruik je ook: ze horen een zachte G, denken ‘aawwwhhh’ en vervolgens zet je ze hardhandig op het verkeerde been. Tegen voorspelbaarheid ingaan, daar hou ik van. Alsof je een lieveheersbeestje holocaustgrappen hoort maken.”

Het krediet dat Brabantse cabaretiers op voorhand hebben – en dat ze in de zaal kundig vergroten – verschaft ze haast carte blanche. Grove humor, seksisme, alt-right-grappen: ze komen er straffeloos mee weg. “Voor mij is het ook hartstikke logisch dat de New Kids uit Maaskantje komen en niet uit Groningen of Zeeland”, zegt Nabil. Maar de allersterkste Brabantse troef blijft zelfspot, oordeelt hij.

“In hun gewiekste schlemieligheid en gekte mogen Brabantse cabaretiers over sociale, culturele en morele grenzen gaan, omdat ze ook zichzelf niet sparen.”

“Brabanders lachen graag om zichzelf. Dat vind ik een kracht die je niet overal in Nederland tegenkomt.”

Zijn cabarethelden zijn Theo Maassen en Hans Teeuwen, die in Zijtaart en Budel opgroeiden. Het is de herkenning, zegt Nabil. “Zij zoeken grenzen op, spelen met vooroordelen en ontregelen de boel. Dat doe ik ook. Liever schurend ongemak dan kunst die behaagt.” Zijn favoriete speelplekken in Nederland?

“In Brabant, da’s thuis. De verbondenheid die ik hier met het publiek voel, is sterk. Vooral het rauwe van kleine arbeiderssteden als Waalwijk, Oss of Helmond spreekt me aan.”

Maar ook de rest van Nederland is hem lief. Hij trad zelfs op voor uitgezonden militairen in Afghanistan en expats in Dubai en Jakarta.

“Vaak leunen hun voorstellingen sterk op het zintuiglijke, beeldende taal en kronkelige verhaallijnen. Het is zeldzaam dat Brabantse cabaretiers recht op het doel afgaan.”

“Stel dat mijn punchline parasol is, dan ga ik dat toch niet snel weggeven? Dan wil ik omsingelen, afleiden, schijnbewegingen maken, versnellen.” Eindbestemming: scoren, met glimlach. Geheel volgens de klassieke Brabantse stijl van communiceren.

Zelfspot

De nationale sympathie voor Brabantse cabaretiers is een extra voordeel. “Als Brabander kun je echt overal spelen. De gunningsfactor bij het publiek is groot. Dat gebruik je ook: ze horen een zachte G, denken ‘aawwwhhh’ en vervolgens zet je ze hardhandig op het verkeerde been. Tegen voorspelbaarheid ingaan, daar hou ik van. Alsof je een lieveheersbeestje holocaustgrappen hoort maken.”

Het krediet dat Brabantse cabaretiers op voorhand hebben – en dat ze in de zaal kundig vergroten – verschaft ze haast carte blanche. Grove humor, seksisme, alt-right-grappen: ze komen er straffeloos mee weg. “Voor mij is het ook hartstikke logisch dat de New Kids uit Maaskantje komen en niet uit Groningen of Zeeland”, zegt Nabil. Maar de allersterkste Brabantse troef blijft zelfspot, oordeelt hij.

“In hun gewiekste schlemieligheid en gekte mogen Brabantse cabaretiers over sociale, culturele en morele grenzen gaan, omdat ze ook zichzelf niet sparen.”

“Brabanders lachen graag om zichzelf. Dat vind ik een kracht die je niet overal in Nederland tegenkomt.”

Zijn cabarethelden zijn Theo Maassen en Hans Teeuwen, die in Zijtaart en Budel opgroeiden. Het is de herkenning, zegt Nabil. “Zij zoeken grenzen op, spelen met vooroordelen en ontregelen de boel. Dat doe ik ook. Liever schurend ongemak dan kunst die behaagt.” Zijn favoriete speelplekken in Nederland?

“In Brabant, da’s thuis. De verbondenheid die ik hier met het publiek voel, is sterk. Vooral het rauwe van kleine arbeiderssteden als Waalwijk, Oss of Helmond spreekt me aan.”

Maar ook de rest van Nederland is hem lief. Hij trad zelfs op voor uitgezonden militairen in Afghanistan en expats in Dubai en Jakarta.

Halal

Nabil denkt en praat snel. Zwenkt, klimt, cirkelt. Mocht hij ooit brodeloos raken, dan zou hij als achtbaanontwerper hoge ogen gooien. Of beleeft de wereld al genoeg salto mortales? Verwonderde ogen: “Nee joh. Ik hoor voortdurend dat de wereld in brand staat. Maar ik kijk uit het raam, kom op veel plekken en zie dat het eigenlijk hartstikke goed gaat.” Wel heeft hij uit zelfbescherming de apps van Volkskrant, NU.nl, AD en Telegraaf verwijderd. Te veel mayday mayday, te neerwaarts van toon.

De relatief sterke aanhang van PVV en Forum voor Democratie in Brabant deert hem ook weinig. “Af en toe duikt op Facebook iemand uit de oude gabberscene op. Dan is het ‘Hé Nabil, hoe is het?’ Toen ik vroeger in Waalwijk op kinderfeestjes kwam, was het al ‘Nabilleke, we hebben veur jou unne halal kiepepôôt gekocht. Wilde ’m hebben?’ Ik ben ervan overtuigd dat als ik bij ze aanbel, dat ze me met dezelfde gastvrijheid ontvangen. Het zijn geen racisten. Het zijn mensen uit vergeten groepen.”

Maar terugkeren naar Waalwijk zal hij niet snel doen. De hoofdstad bevalt hem. In vijfendertig jaar tijd heeft hij Wolluk ook zien veranderen. Veel jonge mensen zijn naar de grotere steden getrokken – binnen en buiten Brabant. “Ik zie vooral ouderen in Waalwijk, amper spelende kinderen op straat.”

Hij staat op. Geen drup water gedronken, maar een zee van verhalen geschonken. Boven zijn hoofd is de lucht strak blauw. Geen wolk te zien. Hij hangt vast boven Amsterdam te wachten.

nabilayad.com

Auteur: Eric Alink

Halal

Nabil denkt en praat snel. Zwenkt, klimt, cirkelt. Mocht hij ooit brodeloos raken, dan zou hij als achtbaanontwerper hoge ogen gooien. Of beleeft de wereld al genoeg salto mortales? Verwonderde ogen: “Nee joh. Ik hoor voortdurend dat de wereld in brand staat. Maar ik kijk uit het raam, kom op veel plekken en zie dat het eigenlijk hartstikke goed gaat.” Wel heeft hij uit zelfbescherming de apps van Volkskrant, NU.nl, AD en Telegraaf verwijderd. Te veel mayday mayday, te neerwaarts van toon.

De relatief sterke aanhang van PVV en Forum voor Democratie in Brabant deert hem ook weinig. “Af en toe duikt op Facebook iemand uit de oude gabberscene op. Dan is het ‘Hé Nabil, hoe is het?’ Toen ik vroeger in Waalwijk op kinderfeestjes kwam, was het al ‘Nabilleke, we hebben veur jou unne halal kiepepôôt gekocht. Wilde ’m hebben?’ Ik ben ervan overtuigd dat als ik bij ze aanbel, dat ze me met dezelfde gastvrijheid ontvangen. Het zijn geen racisten. Het zijn mensen uit vergeten groepen.”

Maar terugkeren naar Waalwijk zal hij niet snel doen. De hoofdstad bevalt hem. In vijfendertig jaar tijd heeft hij Wolluk ook zien veranderen. Veel jonge mensen zijn naar de grotere steden getrokken – binnen en buiten Brabant. “Ik zie vooral ouderen in Waalwijk, amper spelende kinderen op straat.”

Hij staat op. Geen drup water gedronken, maar een zee van verhalen geschonken. Boven zijn hoofd is de lucht strak blauw. Geen wolk te zien. Hij hangt vast boven Amsterdam te wachten.

nabilayad.com

Auteur: Eric Alink

De sterkste Brabantse troef is zelfspot. Live

  • Eens
    100 % 7/7
  • Oneens
    0 % 0/7
Processing..
Thanks, Your Vote Is Successfully Submitted
Top